Een korte geschiedenis van Suriname

Rond 1650 vestigden Engelsen zich permanent in het land van de inheemse bewoners van het tegenwoordige Suriname. In 1667 veroverden de Nederlanders de kleine maar bloeiende kolonie Suriname op de Engelsen. Om de productie voor internationale handel te vergroten stichtte men plantages. Het aantal plantages in Suriname groeide tot meer dan 400 rond 1770.

Plantagekaart (Moseberg, 1801)

Plantagekaart (Moseberg, 1801)

Slaaf gemaakte volkeren uit Afrika leverden de arbeid op de plantages. Tot de afschaffing van de slavernij haalde men 300.000-350.000 mensen naar Suriname, veelal uit het huidige Ghana (Goudkust), Guinee en Congo, maar ook uit het huidige Kameroen, Angola, Togo en Senegal. Deze slaaf gemaakte Afrikanen vormden de meerderheid van de bevolking in Suriname (ruim 75% in stedelijke gebieden en ruim 95% op sommige plantages in de 18e eeuw).
De sterke concurrentiestrijd op de wereldmarkt en veelvuldige aanvallen van Marronvolkeren uit het binnenland (gevluchte slaaf gemaakte Afrikanen en hun afstammelingen) zette het plantagesysteem in Suriname onder druk. De slavernij werd in Suriname in 1863 afgeschaft, maar men dwong de ex-slaaf gemaakten nog tien jaar door te werken tegen minimale betaling. Na deze periode verlieten velen van hen de plantages en trokken naar Paramaribo.

Vele plantages gingen ten onder. Overgebleven planters haalden contractarbeiders naar Suriname, voornamelijk uit China, voormalig Brits-Indi√ę en Java. Desalniettemin gingen vele planters failliet en verlieten hun landgoederen (waar soms gemeenschappen van kleine boeren ontstonden). Andere plantages kwamen braak te liggen. Rondom Paramaribo verstedelijkten vele plantages. Het binnenhalen van contractarbeiders naar Suriname om te werken op de plantages stopte met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in 1939.¬†Vandaag de dag zijn er nog een paar plantages in gebruik, waar men verschillende gewassen teelt voor de binnenlandse en buitenlandse markt.