Op zoek naar de weglopersbanaan

Door Tinde van Andel, etnobotanicus bij Naturalis Biodiversity Center, Leiden

Tijdens de trans-Atlantische slavenhandel deden een aantal Afrikaanse voedselgewassen hun intrede in Suriname. Sesamzaad, bakbananen, oker, sopropo en de Afrikaanse oliepalm werden als voedsel in West Afrika ingescheept, maar sommige zaden en stekjes kwamen ongeschonden de oceaan over. Slaven smokkelden ze uit de scheepsruimen en teelden de gewassen voor eigen consumptie op hun kleine kostgrondjes achter de plantages. Toen de Marrons in de 18e eeuw de plantages ontvluchtten, namen ze zaden en stekjes mee het binnenland in. Diep in het regenwoud maakten ze nieuwe kostgrondjes. Nu de meeste plantages in het Surinaamse kustgebied zijn verlaten, zijn Marrons vaak de enige die deze “vergeten Afrikaanse groenten” nog verbouwen. Zoals bijvoorbeeld de weglopersbanaan.

lise (Small)Lise, een Saramaccaanse boerin uit Jawjaw op haar kostgrondje. Op de achtergrond een bananenboom. Foto: Minke Reijers

Nazaten van Javaanse en Hindostaanse contractarbeiders ontdekten een vreemd soort bakbanaan in het bos rond de verlaten plantage Reijnsburg in Commewijne. Ouderen in het dorp Bakkie herkenden de vrucht als een lowe man bana, oftewel een ‘weglopersbanaan’. Volgens hen werd dit type bakbanaan vroeger gekweekt door slaven die de plantage waren ontvlucht en zich ophielden in de bossen rondom Reijnsburg.

Voor zijn afstudeeronderzoek naar botanische plantagerelicten maakte de Amsterdamse student Thiëmo Heilbron een herbariumcollectie van deze dikke, hoekige banaan en stuurde die naar Finland. Bananenspecialist Markku Häkkinen identificeerde de plant als Musa x paradisiaca L. triploid ABB (1x M. acuminata, 2 x M. balbisiana), ook wel bekend als het “bluggoe type”. Dit soort bakbananen zijn eeuwen geleden in Centraal Afrika als eerste gedomesticeerd uit wilde en gekweekte zoete bananen. Sommige weglopersbananen uit Bakkie hebben zelfs nog een paar keiharde, zwarte zaden!

amriet (Small)Amried Doebar kweekt nu zelf weglopersbananen in Bakkie, Commewijne. Hij verkoopt ze aan toeristen die de Warappakreek bezoeken. Ook Surinaamse toeristen hebben vaak nog nooit van deze lowé man bana gehoord! Foto: Christiaan van der Hoeven

In 2013 vertrok een etnobotanisch onderzoeksteam, bestaande uit de Wageningse studenten Minke Reijers en Amber van der Velden, de Leidse student Tessa Vossen en mijzelf naar het binnenland van Suriname. We gingen op zoek naar “vergeten Afrikaanse groenten” op de kostgrondjes van de Marrons. In de dorpen Mooytaki (Tapanahoni) en Jawjaw (Boven Suriname) vonden we niet minder dan 19 verschillende bananencultivars! We maakten botanische collecties, documenteerden lokale Aucaanse en Saramaccaanse namen, beschreven de bladeren, bloemen en vruchten van de bananenbomen en kregen zelfs kookles. Recepten van de traditionele Marrongerechten met bakbanaan, zoals dokun en bana afufu zijn terug te vinden op ons blog http://bushblogsuriname.wordpress.com

Met behulp van de bananenspecialisten in Finland hebben we geprobeerd om wetenschappelijke namen voor de binnenlandbananen te vinden. Dat was geen sinecure!

sipi (Small)De sipi bana ‘scheepsbanaan’ is een zoet banaantje aan een klein boompje. De trossen hangen soms tot op de grond. Is dit een dwarf Cavendish?
Foto: Minke Reijers

Opmerkelijk was dat geen van de door ons geïnterviewde Marrons ooit van de weglopersbanaan had gehoord. Ze kweekten wel diverse dikke, hoekige bananen van het ‘bluggoe type’, zoals bijvoorbeeld de aponto. Dit woord lijkt op de term apantu, in 1998 door Gerda Rossel gedocumenteerd voor een zeer grote, groene bakbanaan in Ghana. De Surinaamse aponto is echter kort, driehoekig en oranjerood als hij rijp is.

oponto (Small)De aponto bana, ook wel bekend als apantakëe. De laatste naam betekent “schrikken en huilen” in de Saramaccaanse taal. De Aucaners kennen hem as patankele. We zijn er niet achtergekomen waarom de banaan zo heet. Hij is lekker stevig, heeft wit vruchtvlees en vertoont opvallende gelijkenissen met de weglopersbanaan. Foto: Minke Reijers

Dit is een klein zoet banaantje dat door de Saramaccaners toto bana wordt genoemd. Ze eten niet alleen de vrucht, maar ook de bladeren worden gebruikt. Die drogen ze en trekken er dan een thee van tegen hoge bloeddruk. De gedroogde bladeren worden ook verwerkt in compressen die op gebroken ledematen worden gelegd om deze te genezen. Ook dienen de droge toto bana bladeren als ingrediënt voor spirituele kruidenbaden.

Helaas zijn we nooit een rijpe toto bana tegengekomen. De dorpelingen in Jawjaw vertelden dat de banaan zwart werd, maar we begrepen niet of ze hiermee de donkere kleur van de stam bedoelden of dat de vrucht zelf donkerrood werd bij rijping. Ook hebben we nog geen wetenschappelijke naam aan deze banaan kunnen plakken.
Wie kent de kleur van een rijpe toto bana? Het woord toto komt uit Gabon, daar betekent het ‘banaan’.

De Surinaamse Marrons, nazaten van de ‘weglopers’ uit de 18e eeuw, kweken dus niet één, maar een heleboel exotische bananen! De wetenschappelijke identiteit van de verschillende bananencultivars mag dan nog steeds niet met zekerheid vastgesteld zijn, het is duidelijk dat deze bananen een belangrijke rol spelen in de culinaire, medicinale en spirituele cultuur van de Marrons.

toto (Small)Toto bana, onrijpe vrucht. Foto: Minke Reijers

Meer informatie over dit project:
http://bushblogsuriname.wordpress.com
http://osodresie.wikispaces.com/Home
https://science.naturalis.nl/en/people/scientists/tinde-van-andel/

Switi lemki (Triphasia trifolia) – ‘Hegplant: vroeger en nu?’


Volksnaam: Switi lemki (Sr) 'zoete lemmetje'
Wetenschappelijke naam: Triphasia trifolia
Groeivorm: Struik
Herkomst: Azië

In Suriname
Erfgoed type: Overgebleven structuur
Huidig gebruik: Hegplant, Cosmetica (nagellak van rijpe vruchten), Voedsel (aroma van rijpe vruchten)
Historisch gebruik: Hegplant?
Overig: Familie van de citrusvruchten, zoals sinaasappel en pompelmoes. Switi lemki vruchten max. 2cm groot
Openstaande vragen:
- Hoe is de Switi lemki in Suriname gekomen?
- Zijn de individuen te vinden op verlaten plantages oude historische individuen of heeft de soort - ondanks de herkomst van buiten Suriname - zich natuurlijk verjongt?

-
Historische context in Suriname:
Men gebruikt Switi lemki tegenwoordig voornamelijk als hegplant, bijvoorbeeld bij het presidentieel paleis in Paramaribo. Echter kan men de plant ook vinden op verlaten plantages bij de Warappakreek en het Matapica kanaal aan de kust. De bevolking van de omringende plantages wist te vertellen dat de plant veel voorkwam op oude dammen in het gebied en tussen cactushagen (zie: Zuilcactus - Cereus hexagonus), zoals op de verlate plantages Johanna Charlotte en Moed en Kommer. De lokale bevolking wist weinig over de herkomst van de plant en vermoedde een gebruik als hegplant in de plantageperiode. In de literatuur wordt nergens melding gemaakt van Switi lemki als plantage plant. De lokale bevolking ontdekte een relict van de plantage periode!
Na de Tweede Wereldoorlog gebruikten kinderen de rode vruchten van de plant om nagellak van te maken. Ook beschreef men een gebruik, o.a. bij koken, voor het aroma van de vruchten.

Kus(u)wé (Bixa orellana) – ‘Medicinale plant, handelsgewas en sierplant’


Volksnaam: Kus(u)wé (Sr)
Wetenschappelijke naam: Bixa orellana
Groeivorm: Struik, Kleine boom
Herkomst: Inheems

In Suriname
Erfgoed type: Inheemsen, Plantagegewas, Slaaf gemaakten tuin?, Planters tuin?
Huidig gebruik: Sierplant, Medicinaal (insect werend)
Historisch gebruik: Medicinaal en Kleurstof, Plantagegewas
Overig: De zaden in de vrucht zijn omgeven door een stof (anatto) die verwerkt kan worden tot rode en gele kleurstof
Openstaande vragen:
- Zijn de individuen te vinden op verlaten plantages aan de kust oude historische individuen of heeft de plant zich natuurlijk verspreidt na de ondergang van de plantages?
-(subvraag) Welke plantages in Suriname verbouwden Kus(u)wé?
-Wat kleurde men met Surinaamse anatto?

-
Historische context in Suriname:
De inheemsen van Suriname gebruikten Kus(u)wé om de insectenwerende eigenschappen. Later werd dit plantgebruik overgenomen door slaaf gemaakte Afrikanen. Europese planters zagen de plant als handelsgewas en verbouwden het gewas op de plantages omwille van de rode kleurstof (anatto). Vandaag gebruikt men in stedelijke gebieden de plant om huisdieren, zoals honden, een bad te geven tegen vlooien en teken.

Ingisopo (Furcraea foetida) ‘Van inheemsenzeep tot wasrek’


Volksnaam: Ingisopo (Sr) 'indianenzeep'
Wetenschappelijke naam: Furcraea foetida
Groeivorm: Kruid
Herkomst: Inheems

In Suriname
Erfgoed type: Inheemsen?, Slaaf gemaakten tuin?
Huidig gebruik: Wasrek (kleding drogen in de zon), Sierplant, Functioneel gewas (vezels)
Historisch gebruik: Medicinaal (ontsmettingsmiddel), Farmaceutisch (zeep - vlezig blad vermorzelen)
Overig:
Openstaande vragen:
-Van wanneer dateert het ingisopo veld bij plantage Anna's Zorg?
-
Historische context in Suriname:
Ingisopo is een inheemse plant die vroeger door de inheemsen werd gebruikt. Vandaar de naam 'Indianen zeep'. Het sap in de vlezige bladeren gebruikte men om te desinfecteren, bijvoorbeeld handen na het schoonmaken van vis.
Op plantage Anna's Zorg, Commewijne, vindt men in het moerasbos een veldje van ruim 30 exemplaren van ingisopo. De lokale bevolking had geen verklaring voor het veelvuldig voorkomen daar. De lokatie is al sinds lange tijd verlaten volgens de almanakken. Opvallend was echter dat de exemplaren van de ingisopo niet achter de historische dijk op de plantages groeide, maar ervoor op een dichtgegroeid stuk van de Warappakreek (die een aantal jaren geleden na decennia lang slecht onderhoud is opengegraven). Dit impliceert dat het veld waarschijnlijk niet heel oud is, aangezien het vroeger water was.
In Nieuw-Lombé groeide de plant op verschillende plaatsen in het dorp. Men wist daar ook van het gebruik als desinfecterende zeep. Men vertelde dat hun voorouders de plant ook gebruikten. Verder droogde men de bladeren in de zon voor de vezels.
Ook in Paramaribo groeit de plant veelvuldig, voornamelijk als sierplant

Watra krarun (Amaranthus australis) ‘Indicator historische inheemse migratie?’

Wilde klaroen

Volksnaam: Watra krarun (Sr) 'water klaroen'
Wetenschappelijke naam: Amaranthus australis
Groeivorm: Kruid
Herkomst: Inheems

In Suriname
Erfgoed type: Inheemsen, Contractarbeider gewas
Huidig gebruik: Voedsel (juveniele planten gekookt)
Historisch gebruik: Onbekend
Overig: Groeit voornamelijk in water, maar kan ook op vochtige grond overleven.
Openstaande vragen:
-Hoe heeft de Watra krarun zich over de America's verspreid?
-Voor wat voor doeleinden gebruikten de inheemsen de plant?
-
Historische context in Suriname:
De plant komt veelvuldig voor in het moerassige kustgebied in Suriname. Op sommige plekken staan velden vol en is het een van de meest geziene planten (bijvoorbeeld ten noorden van plantage Johanna Margaretha).
Op plantage Reijnsdorp herkent de oudere Javaanse generatie de plant als een eetbaar gewas. De jongere generatie herkent de plant echter niet als zodanig. Een oude vrouw vertelde dat slechts de jonge planten (juvenielen) van deze soort eetbaar zijn, omdat bij oudere planten te vezelig zijn.
In de Flora van Suriname komt deze plant voor, maar in de databases van het Herbarium van Suriname (BBS) en Nationaal Herbarium Nederland (NHN), zijn slechts enkele exemplaren. In online herbarium databases blijkt de plant veel voor te komen aan de oostkust van de Verenigde Staten.
Onduidelijk is of de plant een dergelijk ruim verspreidingsgebied heeft of dat de plant door mensen is verspreid (historisch of recent gezien). Aangezien vóór de koloniale tijd de inheemsen handelden langs de kust en tijdens de koloniale tijd veel intra-Amerikaanse vaart plaatsvond, lijkt een menselijke verspreiding goed mogelijk.

Loweman bakba (Musa x paradisiaca) ‘Banaan van de slaaf gemaakte’

Volksnaam: Loweman bakba (Sr) 'wegloper banaan', Ghedang kepo(k) (Ja)
Wetenschappelijke naam: Musa x paradisiaca
Groeivorm: Kruid (schijnboom)
Herkomst: Azië (via Afrika?)

In Suriname
Erfgoed type: Slaaf gemaakte tuin
Huidig gebruik: Vrucht als voedsel
Historisch gebruik: Vrucht als voedselbron bij vlucht van de plantage
Overig: -
Openstaande vragen:
- Hoe kwam de loweman bakba wild groeiend in het bos rondom plantage Reijnsdorp, aangezien deze banaan door middel van stekken vermeerderd moet worden?
- Is deze banaan via Afrika met slaaf gemaakten meegekomen, of was de banaan eerder al naar Suriname gehaald en is de plant in gebruik geraakt door slaaf gemaakten die waarschijnlijk het telen van bananen kende?

-
Historische context in Suriname:
De gecultiveerde banaan (Musa x paradisiaca) komt van origine uit Azië, maar bereikte al heel vroeg in de menselijke geschiedenis Afrika, waar men net als in Azië verschillende variëteiten ontwikkelde. Op plantage Reijnsdorp verbouwde de Javaanse gemeenschap een variëteit van banaan met vruchten met een hoekige en dikke schil. Men noemde de plant ‘loweman bakba’.
De oudere generatie vertelde: “Onze voorouders troffen deze plant aan wild groeiend in het bos. Zij namen hem mee naar het dorp en enkele nog aanwezige ex-slaaf gemaakten op de plantage vertelden hen dat dit de ‘loweman bakba’ was met een eigen bijzondere verhaal.
De slaaf gemaakten verbouwden deze banaan op de plantages en gebruikten hem als voedsel tijdens de vlucht van de plantages naar vrijheid”. De term ‘loweman’ verwijst naar de slaaf gemaakten die van de plantage wegvluchtten en ‘bak(u)ba’ is een term die men in sommige West-Afrikaanse landen gebruikt voor bananen.
De gemeenschap op plantage Reijnsdorp zag deze banaan als een ‘wilde’ banaan, maar deze banaan produceert geen vruchtbare zaden en vermeerdert men door middel van stekken. Hoe kwam de banaan ‘wild’ groeiend in het bos? Waren het wellicht overgebleven planten van oude tijdelijke Marronkampen die de eerste contractarbeiders in het bos aantroffen? Op deze vragen is tot op heden geen antwoord. Verdere informatie over de hedendaagse verspreiding van deze banaan was in een tuin in Paramaribo-West. Hier stond ook een ‘loweman bakba’. Hoe? De eigenaresse bleek de plant te hebben ontvangen van een vriend uit het Marrondorp Dritabiki, Sipalwini. Blijkbaar is de plant met zijn verhaal niet alleen overgenomen door de Javeense gemeenschap aan de kust, maar heeft de plant ook de tocht gemaakt met de vluchtende slaaf gemaakten het binnenland in en telen de afstammelingen van de ‘lowemans’ de plant nog! Dit is een mooi voorbeeld van de dynamiek van overdracht van plantengebruik tussen verschillende groepen.

Busipepre (Capsicuum annuum var. glabriulusculum) ‘De peper van God’

Capsicuum annuum var. glabriulusculum




Volksnaam: Busipepre (Sr) 'bospeper', Lombo(k) riwit/kusti (Ja) 'peper van God'
Wetenschappelijke naam: Capsicuum annuum var. glabriulusculum
Groeivorm: Struik
Herkomst: Inheems

In Suriname
Erfgoed type: Inheemsen, Slaafgemaakten tuin?, Contractarbeider?
Huidig gebruik: Voedsel (vruchten als specerij)
Historisch gebruik: Waarschijnlijk voedsel (vruchten als specerij)
Overig: De vruchten (pepers) zijn slechts 10mm groot. Ze krijgen wanneer rijp een rode kleur. De pepers zijn zeer heet.
Openstaande vragen:
-Kwam de peper op plantage Bent's Hoop door natuurlijke verspreiding na het verlaten van de plantage, of is het een overblijfsel met menselijke origine?
-
Historische context in Suriname:
Op de verlaten plantage Bent’s Hoop stond in het bos deze inheemse peper met vruchten (de pepers), nog geen centimeter in doorsnede, maar zeer heet. De Javaanse gemeenschap op de nabijgelegen plantage Reijnsdorp wist van het bestaan van de peper, maar plantte andere pepersoorten en gebruikte deze bospeper verder niet. Zij kenden de plant als ‘peper van God’. Een oudere Javaanse dame legde uit: “Mijn vader en zijn dorpsgenoten namen de bospeper mee en probeerden hem op te kweken in het dorp. Maar deze peper kan niet groeien als hij door mensen geplant is, alleen wanneer God het wil zal hij groeien”. Dit verhaal is niet gek, wanneer men bedenkt dat de peper van nature in bosrijk gebied voorkomt en op een gecultiveerd stuk land wellicht niet goed groeit.
Mogelijkerwijs verzorgden inheemsen of slaaf gemaakten deze variëteit eerder op de plantage. De inheemsen verbouwden vele planten en verzorgden ook wilde planten, waaronder pepers (Capsicum spp.), maar over het gebruik van deze variëteit is weinig bekend. Wel is bekend dat overdracht van plantgebruik plaatsvond tussen inheemsen en de nieuwe inwoners.

Kakaw (Theobroma cacao) ‘Surinaams godenvoedsel als handelsgewas’

Theobroma cacao fruits

Volksnaam: Kakaw (Sr)
Wetenschappelijke naam: Theobroma cacao
Groeivorm: Kleine boom
Herkomst: Amazonegebied, Inheems

In Suriname
Erfgoed type: Handelsgewas
Huidig gebruik: Voedsel (zaden voor chocolade, vrucht soms gegeten)
Historisch gebruik: Handelsgewas, Voedsel
Overig: De naam Theobroma verwijst naar het oud Grieks 'godenspijs'.
Openstaande vragen:
-Welke variëteiten van cacao komen voor in Suriname?
-Welke variëteit is wanneer geïntroduceerd in Suriname?
-Waren er verschillen in gebruik(er) voor de verschillende variëteiten cacao?
-Hoe oud zijn de individuen op plantage Berg en Dal?
-Hoe snel verjongt het historische cacaoveld op plantage Montpellier?

-
Historische context in Suriname:
Het bos op de voormalig plantage Montpellier heeft veel weg van een normaal regenwoud. Echter bij het doorkruisen valt al gauw op dat er vele cacaobomen tussen de rest van het groen staan. Temidden van het teruggegroeide regenwoud staat een oud cacaoveld! De precieze ouderdom van het veld is moeilijk te achterhalen, al is bekend dat de plantage al meer dan anderhalve eeuw niet meer in gebruik is als productieplantage. Het voorkomen van zowel juvenielen als adulten doet vermoeden dat er regeneratie optreedt en dat het veld zichzelf in stand houdt. De bewoners wisten te vertellen dat de cacao variëteit er één is die men in de plantageperiode verbouwde, maar die nu verdrongen is door variëteiten met hogere opbrengst en een hogere kwaliteit zaden (waarvan men cacaoproducten maakt). Op plantage Berg en Dal werd eenzelfde variëteit aangetroffen.
Het cacaoveld op plantage Berlijn bleek een overblijfsel van beplanting na de Tweede Wereldoorlog. Dit overgebleven veld is slechts een herinnering aan een vorige eigenaar, die na een aantal slechte oogsten de grond verkocht. Momenteel zijn bijna de gehele plantage en de plantages eromheen in gebruik voor veeteelt en andere gewassen. De cacao variëteit die men daar gebruikte was een moderne gekweekte variëteit.
Ook de verlaten cacao- en koffievelden op plantage Peperpot dateren van slechts enkele decennia terug en betreft een moderne gekweekte variëteit. Niet elk overblijfsel van een cacaoveld verwijst dus naar de plantagetijd.
Suriname kent ook een inheemse cacao variëteit die diep in het binnenland voorkomt. Het is niet geheel duidelijk welke variëteiten cacao in Suriname voorkomen en welke wanneer geïntroduceerd is.

Kofi (Coffea liberica) ‘Afrikaans handelsgewas in Atlantische wereld’

Coffea liberica ripe fruits

Volksnaam: Kofi (Sr)
Wetenschappelijke naam: Coffea liberica
Groeivorm: Kleine boom
Herkomst: Afrika

In Suriname
Erfgoed type: Handelsgewas
Huidig gebruik: Voedsel (geroosterde zaden met water als drank)
Historisch gebruik: Voedsel (geroosterde zaden met water als drank)
Overig: Coffea liberica is beter bestand tegen sommige ziektes dan Coffea arabica de meest voorkomende koffie soort, maar de opbrengst is lager. De koffie bessen zijn 1,5-3cm groot en rood wanneer rijp.
Openstaande vragen:
-Hoe oud zijn de veldjes koffie die men nog op sommige verlaten plantages kan vinden?
-
Historische context in Suriname:
Coffea liberica kwam pas rond begin 19e eeuw in Suriname aan.
Eerder waren Coffea arabica planten met succes geplant, maar door opkomende plagen, begon met met de liberica binnen te halen. Op plantage Peperpot staan nog slecht onderhouden velden koffie, onder de oorspronkelijke aanplant van schaduwbomen (zie ook Kofimama). De koffiefabriek doet nu dienst als ecotoerisme locatie.
Planters maakten koffie zoals men het tegenwoordig kent. Afrikaanse slaafgemaakten aten juist de rijpe vruchten.
Momenteel kweekt men op sommige plekken koffie nog op kleine schaal voor eigen gebruik.

Kofimama (Erythrina fusca) ‘Beschermer der handelsgewassen’

detail kofimama juveniel

Volksnaam: Kofimama (Sr) 'Koffie mama', Chang kring (Ja)
Wetenschappelijke naam: Erythrina fusca
Groeivorm: Boom
Herkomst: Inheems

In Suriname
Erfgoed type: Overgebleven stuctuur, Contractarbeider gewas
Huidig gebruik: Uitgeholde stam gebruikt men om kaf en koren te scheiden door erop te slaan met een stok.
Historisch gebruik: Schaduwplant voor koffie en soms cacao.
Overig: De boom wordt tot 15m hoog. De boom trekt een bepaalde mottensoort aan waarvan de poppen gegeten kunnen worden (een Javaans gebruik). Op foto is een juveniele plant te zien.
Openstaande vragen:
-Welke soort is de lokale 'Kofimama' in Afrika, waar koffie (Coffea spp.) vandaan komt?
-Welke soort mot die gegeten wordt, leeft op de kofimama?

-
Historische context in Suriname:
De kofimama is voor vele Surinamers een bekend botanisch overblijfsel uit de koloniale periode. Veel mensen weten dat men de boom vroeger gebruikte als schaduwplant voor juveniele koffie planten, zoals de volksnaam al aangeeft. Het gebruik voor juveniele cacao is voor minder mensen bekend. Verder gebruikten Javaanse Surinamers de cocon van een vlinder die gedijt op de koffiemamaboom als delicatesse, ook bekend als 'entung' (Ja). Het is onduidelijk of op sommige plekken entung nog steeds gegeten wordt.
Op plantage Peperpot groeien op de kofimama bomen nog samen met de koffie planten, waarbij de beplanting structuren heel mooi geconserveerd zijn gebleven. Dit veld is echter niet heel oud.
Op plantage Berlijn staat een aantal individuen in een verlaten cacaoveld, waarbij de beplanting structuren nog enigszins te herleiden zijn.
Op vele verlaten plantages aan de kust groeien grote individuen midden in de bossen. Aangezien de boom ook veel van nature voorkomt in het kustgebied is onderscheid maken tussen natuurlijk voorkomen en relict (individuen geplant als een schaduwboom voor koffie of cacao op de plantage) soms moeilijk.