volksnaam onbekend (Caesalpinia bonduc) ‘De oceaan over, als smokkelwaar of drijfzaad… of allebei?’

Volksnaam: onbekend
Wetenschappelijke naam: Caesalpinia bonduc
Groeivorm: Kruid
Herkomst: Afrika, Pantropisch?

In Suriname
Erfgoed type: Slaafgemaakten tuin
Huidig gebruik: Geen
Historisch gebruik: Medicinaal
Overig: Deze soort vormt drijfzaden en lijkt natuurlijk voor te komen op vele kusten wereldwijd.
Openstaande vragen:
- Hoe maakte 'bonduc' de Atlantische oversteek?
- Zijn er Marrons in het binnenland die deze zaden nog gebruiken?
- Kent de inheemse bevolking deze zaden en waarvoor gebruikt men hen?
- Worden de zaden nog voor rituele doeleinden gebruikt?
- Is een foto beschikbaar van de zaden in gebruik in Suriname?
Historische context in Suriname:
Drijfzaden van deze zeer stekelige plant komen via natuurlijke verspreiding voor op stranden over de hele wereld. Een enkeling van de oudere generatie in Suriname weet dat men zaden medicinaal gebruikt: bij kinderen met last van hun buik kan men een polsketting van zaden maken.
In Ghana gebruikt men de drijfzaden ook medicinaal, geregen in een ketting om het middel van een ziek kind, tegen huidaandoeningen. Ook gebruikt men in Ghana de zaden als speelstenen in een spel genaamd ‘agi’ (Ewe) of ‘aware’ (Twi) . Dit ‘agi’ spel bleek voor veel mensen in Suriname onbekend.
Iemand uit het marrondorp Dritabiki herkende het zaad wel. Volgens hem wordt het spel nog gespeeld door de ouderen, maar de jeugd kent het niet meer. Deze zaden zijn bekend, maar het spel wordt er niet meer mee gespeeld. Marrons blijken tegenwoordig andere zaden (van Ormosia spp.) te gebruiken om het ‘agi’ spel te spelen.
Hoewel het onduidelijk is of de plant op natuurlijke wijze als drijfzaad de Atlantische overtocht heeft gemaakt of dat mensen deze plant onbewust of bewust meenamen, bijvoorbeeld als sieraad of zaad met rituele betekenis, lijken Afrikaanse gebruiken nog steeds in Suriname aanwezig.

De bekende handelsgewassen van Suriname: niet het hele verhaal…

Door Karwan Fatah-Black, historicus aan de Universiteit Leiden

Koffie en suiker werden, naast katoen, cacao en indigo de succesvolle exportgewassen van Suriname. Zoals dankzij het BHS Project goed te zien is, kwamen er in het kielzog van de plantage-economie ook andere gewassen mee. Als we vanuit het heden naar het verleden kijken vallen ons vooral de succesverhalen op: de gewassen die een grote invloed hebben gehad op het landschap of die tot de dag van vandaag nog te vinden zijn. Maar dat is niet het hele verhaal.

Degenen die in Suriname arriveerden of plannen maakten om een plantage te stichten hadden suiker en koffie niet altijd als voornaamste landbouwgewassen voor ogen. Zo faalde rond 1630 een poging van een groep Engelsen om onder leiding van Marechal tabak te verbouwen in het gebied van de huidige Marshal Kreek. Het is één van de talloze voorbeelden van mislukte expedities. In dit artikel laat ik aan de hand van twee historische bronnen (één uit 1622 en één uit 1716) zien dat suiker en koffie niet vanaf het begin van de kolonie vanzelfsprekend de twee belangrijkste export producten van Suriname waren. De weg naar de plantage-economie is bezaaid met gewassen die het uiteindelijk niet hebben gehaald.

Ten eerste een pamflet van Willem Usselinx dat hij publiceerde in 1622. Usselinx was een inspirator voor het oprichten van de Westindische Compagnie, al wilde hij liever dat er kolonies in de Guiana’s kwamen dan in Brazilie. In dat pamflet ijvert Usselinx voor kolonisatie op de “Wilde Kust” (de Guiana’s). Het is een periode waarin vanuit de Republiek der Verenigde Nederlanden naar wegen wordt gezocht om de Spaanse tegenstander in het Atlantische gebied de pas af te snijden. Het idee is om een imperium (Groot Deseyn) op te zetten met forten op de kust van Afrika om in slaaf gemaakten te handelen, en plantages in Zuid Amerika om suiker te verbouwen. Of althans, uit de tekst van Usselinx blijkt dat hij niet alleen suiker voor ogen had. Usselinx wil vooral de Spanjaarden dwars zitten. Hij schrijft:

“Want als wij aldaer den Wijnstoc Olye en de Orangie Boomen met de Suycker Rieten etc. planten, sullen wy niet alleen uit Indien onslieve Nederlant maar ooc andere Provintien ende Rijcken met den schoonen zegen ende heerlijcke vruchten des West Indischen Canaans versorghen, tot grooten afbreuc van de Spaansche Trafijcque, daer op dan consequentelijck sal moeten volghen een duystere Eclipsis in des Konicks Comptoiren.”

titelblad_illustratie

 

Titelblad en illustratie uit het boek dat de directeuren van de Sociëteit van Suriname opstuurden om kennis over het verbouwen van koffie te verspreiden. Jean de la Roque, Voyage de l’Arabie heureuse par l’Océan oriental et le détroit de la mer Rouge. Amsterdam: Steenhouwer & Uytwerf, 1716

Het plan om druiven te verbouwen en wijn te produceren zou een symbolische opmerking kunnen zijn, verwijzend naar rijkdom en overvloed. Maar het idee dat er in de Guiana’s druiven verbouwd zouden kunnen (en moeten) worden leeft een eeuw later nog, nota bene bij een groep mensen die al lange tijd in de kolonie leven en werken. In 1716 publiceert een groep belanghebbenden, voornamelijk planters, een pamflet waarin ze wegen suggereren om de kolonie tot een groter commercieel succes te maken.

De geregelde aanvoer van slaaf gemaakten, militaire bescherming en minder handelsbeperkingen voor de kolonisten vormen de kern van hun ideeën. Ze suggereren dat degene die niet genoeg startkapitaal hebben om suiker te verbouwen vee zouden kunnen gaan fokken, of katoen, cacao, orleaan of rijst zouden kunnen gaan planten. Ze suggereren ook om druiven te kweken, in navolging van de volgens hun succesvolle productie van wijn in het naburige Cayenne. Ook schrijven de plantage- en eigenaren van slaaf gemaakten dat koffie en olijven zijn geplant, maar dat de resultaten van deze experimenten nog niet duidelijk zijn. Verder suggereren ze het verbouwen van saffraan, vlas, hennep en ook moerbei voor de zijderups.

De eerste koffiebonen zijn rond 1712 al in de kolonie aangekomen, en om de vier a vijf jaar stijgt de spanning als er weer een nieuwe generatie boompjes de vruchtdragende leeftijd bereikt. Koffie was een “boom product” en de snelle expansie van productie in Suriname zou in enkele decennia het aangezicht van de kolonie ingrijpend veranderen. Tot de opkomst van de koffieproductie hadden plantagedirecteuren hun geknechte slaaf gemaakten ingezet voor het verbouwen van suiker en het kappen van hout. Dit gebeurde veelal op de drogere zandgronden in de bovenloop van de Suriname, Commewijne en Cottica. Het verbouwen van koffie gebeurt dichter bij zee in de vette kleigrond, en zorgt voor stevige conflicten in Paramaribo waar mensen elkaar grond afhandig proberen te maken om koffieboompjes te planten.

De koffie hausse komt niet uit de lucht vallen, men was al langer druk opzoek naar gewassen die goed zouden gedijen naast de suikerproductie. Dat koffie dit succes werd eist een grote tol: mensen worden op nog grotere schaal tot slaaf gemaakt en tot werk gedwongen on de Surinaamse polder plantages. Het sterfteoverschot op de plantages was vooral in de het midden van de achttiende eeuw (tijdens de expansie van het plantage areaal) ontstellend hoog. De alternatieve wegen die de kolonisten voor ogen stonden zijn voer voor gedachtenexperimenten: wat als zijde het belangrijkste exportproduct van Suriname was geworden? Of wijn? Terugkijkend lijkt het absurd, maar het is wel degelijk het beeld dat men in de zeventiende en achttiende eeuw voor ogen stond.