volksnaam onbekend (Caesalpinia bonduc) ‘De oceaan over, als smokkelwaar of drijfzaad… of allebei?’

Volksnaam: onbekend
Wetenschappelijke naam: Caesalpinia bonduc
Groeivorm: Kruid
Herkomst: Afrika, Pantropisch?

In Suriname
Erfgoed type: Slaafgemaakten tuin
Huidig gebruik: Geen
Historisch gebruik: Medicinaal
Overig: Deze soort vormt drijfzaden en lijkt natuurlijk voor te komen op vele kusten wereldwijd.
Openstaande vragen:
- Hoe maakte 'bonduc' de Atlantische oversteek?
- Zijn er Marrons in het binnenland die deze zaden nog gebruiken?
- Kent de inheemse bevolking deze zaden en waarvoor gebruikt men hen?
- Worden de zaden nog voor rituele doeleinden gebruikt?
- Is een foto beschikbaar van de zaden in gebruik in Suriname?
Historische context in Suriname:
Drijfzaden van deze zeer stekelige plant komen via natuurlijke verspreiding voor op stranden over de hele wereld. Een enkeling van de oudere generatie in Suriname weet dat men zaden medicinaal gebruikt: bij kinderen met last van hun buik kan men een polsketting van zaden maken.
In Ghana gebruikt men de drijfzaden ook medicinaal, geregen in een ketting om het middel van een ziek kind, tegen huidaandoeningen. Ook gebruikt men in Ghana de zaden als speelstenen in een spel genaamd ‘agi’ (Ewe) of ‘aware’ (Twi) . Dit ‘agi’ spel bleek voor veel mensen in Suriname onbekend.
Iemand uit het marrondorp Dritabiki herkende het zaad wel. Volgens hem wordt het spel nog gespeeld door de ouderen, maar de jeugd kent het niet meer. Deze zaden zijn bekend, maar het spel wordt er niet meer mee gespeeld. Marrons blijken tegenwoordig andere zaden (van Ormosia spp.) te gebruiken om het ‘agi’ spel te spelen.
Hoewel het onduidelijk is of de plant op natuurlijke wijze als drijfzaad de Atlantische overtocht heeft gemaakt of dat mensen deze plant onbewust of bewust meenamen, bijvoorbeeld als sieraad of zaad met rituele betekenis, lijken Afrikaanse gebruiken nog steeds in Suriname aanwezig.

Op zoek naar de weglopersbanaan

Door Tinde van Andel, etnobotanicus bij Naturalis Biodiversity Center, Leiden

Tijdens de trans-Atlantische slavenhandel deden een aantal Afrikaanse voedselgewassen hun intrede in Suriname. Sesamzaad, bakbananen, oker, sopropo en de Afrikaanse oliepalm werden als voedsel in West Afrika ingescheept, maar sommige zaden en stekjes kwamen ongeschonden de oceaan over. Slaven smokkelden ze uit de scheepsruimen en teelden de gewassen voor eigen consumptie op hun kleine kostgrondjes achter de plantages. Toen de Marrons in de 18e eeuw de plantages ontvluchtten, namen ze zaden en stekjes mee het binnenland in. Diep in het regenwoud maakten ze nieuwe kostgrondjes. Nu de meeste plantages in het Surinaamse kustgebied zijn verlaten, zijn Marrons vaak de enige die deze “vergeten Afrikaanse groenten” nog verbouwen. Zoals bijvoorbeeld de weglopersbanaan.

lise (Small)Lise, een Saramaccaanse boerin uit Jawjaw op haar kostgrondje. Op de achtergrond een bananenboom. Foto: Minke Reijers

Nazaten van Javaanse en Hindostaanse contractarbeiders ontdekten een vreemd soort bakbanaan in het bos rond de verlaten plantage Reijnsburg in Commewijne. Ouderen in het dorp Bakkie herkenden de vrucht als een lowe man bana, oftewel een ‘weglopersbanaan’. Volgens hen werd dit type bakbanaan vroeger gekweekt door slaven die de plantage waren ontvlucht en zich ophielden in de bossen rondom Reijnsburg.

Voor zijn afstudeeronderzoek naar botanische plantagerelicten maakte de Amsterdamse student Thiëmo Heilbron een herbariumcollectie van deze dikke, hoekige banaan en stuurde die naar Finland. Bananenspecialist Markku Häkkinen identificeerde de plant als Musa x paradisiaca L. triploid ABB (1x M. acuminata, 2 x M. balbisiana), ook wel bekend als het “bluggoe type”. Dit soort bakbananen zijn eeuwen geleden in Centraal Afrika als eerste gedomesticeerd uit wilde en gekweekte zoete bananen. Sommige weglopersbananen uit Bakkie hebben zelfs nog een paar keiharde, zwarte zaden!

amriet (Small)Amried Doebar kweekt nu zelf weglopersbananen in Bakkie, Commewijne. Hij verkoopt ze aan toeristen die de Warappakreek bezoeken. Ook Surinaamse toeristen hebben vaak nog nooit van deze lowé man bana gehoord! Foto: Christiaan van der Hoeven

In 2013 vertrok een etnobotanisch onderzoeksteam, bestaande uit de Wageningse studenten Minke Reijers en Amber van der Velden, de Leidse student Tessa Vossen en mijzelf naar het binnenland van Suriname. We gingen op zoek naar “vergeten Afrikaanse groenten” op de kostgrondjes van de Marrons. In de dorpen Mooytaki (Tapanahoni) en Jawjaw (Boven Suriname) vonden we niet minder dan 19 verschillende bananencultivars! We maakten botanische collecties, documenteerden lokale Aucaanse en Saramaccaanse namen, beschreven de bladeren, bloemen en vruchten van de bananenbomen en kregen zelfs kookles. Recepten van de traditionele Marrongerechten met bakbanaan, zoals dokun en bana afufu zijn terug te vinden op ons blog http://bushblogsuriname.wordpress.com

Met behulp van de bananenspecialisten in Finland hebben we geprobeerd om wetenschappelijke namen voor de binnenlandbananen te vinden. Dat was geen sinecure!

sipi (Small)De sipi bana ‘scheepsbanaan’ is een zoet banaantje aan een klein boompje. De trossen hangen soms tot op de grond. Is dit een dwarf Cavendish?
Foto: Minke Reijers

Opmerkelijk was dat geen van de door ons geïnterviewde Marrons ooit van de weglopersbanaan had gehoord. Ze kweekten wel diverse dikke, hoekige bananen van het ‘bluggoe type’, zoals bijvoorbeeld de aponto. Dit woord lijkt op de term apantu, in 1998 door Gerda Rossel gedocumenteerd voor een zeer grote, groene bakbanaan in Ghana. De Surinaamse aponto is echter kort, driehoekig en oranjerood als hij rijp is.

oponto (Small)De aponto bana, ook wel bekend als apantakëe. De laatste naam betekent “schrikken en huilen” in de Saramaccaanse taal. De Aucaners kennen hem as patankele. We zijn er niet achtergekomen waarom de banaan zo heet. Hij is lekker stevig, heeft wit vruchtvlees en vertoont opvallende gelijkenissen met de weglopersbanaan. Foto: Minke Reijers

Dit is een klein zoet banaantje dat door de Saramaccaners toto bana wordt genoemd. Ze eten niet alleen de vrucht, maar ook de bladeren worden gebruikt. Die drogen ze en trekken er dan een thee van tegen hoge bloeddruk. De gedroogde bladeren worden ook verwerkt in compressen die op gebroken ledematen worden gelegd om deze te genezen. Ook dienen de droge toto bana bladeren als ingrediënt voor spirituele kruidenbaden.

Helaas zijn we nooit een rijpe toto bana tegengekomen. De dorpelingen in Jawjaw vertelden dat de banaan zwart werd, maar we begrepen niet of ze hiermee de donkere kleur van de stam bedoelden of dat de vrucht zelf donkerrood werd bij rijping. Ook hebben we nog geen wetenschappelijke naam aan deze banaan kunnen plakken.
Wie kent de kleur van een rijpe toto bana? Het woord toto komt uit Gabon, daar betekent het ‘banaan’.

De Surinaamse Marrons, nazaten van de ‘weglopers’ uit de 18e eeuw, kweken dus niet één, maar een heleboel exotische bananen! De wetenschappelijke identiteit van de verschillende bananencultivars mag dan nog steeds niet met zekerheid vastgesteld zijn, het is duidelijk dat deze bananen een belangrijke rol spelen in de culinaire, medicinale en spirituele cultuur van de Marrons.

toto (Small)Toto bana, onrijpe vrucht. Foto: Minke Reijers

Meer informatie over dit project:
http://bushblogsuriname.wordpress.com
http://osodresie.wikispaces.com/Home
https://science.naturalis.nl/en/people/scientists/tinde-van-andel/

Switi lemki (Triphasia trifolia) – ‘Hegplant: vroeger en nu?’


Volksnaam: Switi lemki (Sr) 'zoete lemmetje'
Wetenschappelijke naam: Triphasia trifolia
Groeivorm: Struik
Herkomst: Azië

In Suriname
Erfgoed type: Overgebleven structuur
Huidig gebruik: Hegplant, Cosmetica (nagellak van rijpe vruchten), Voedsel (aroma van rijpe vruchten)
Historisch gebruik: Hegplant?
Overig: Familie van de citrusvruchten, zoals sinaasappel en pompelmoes. Switi lemki vruchten max. 2cm groot
Openstaande vragen:
- Hoe is de Switi lemki in Suriname gekomen?
- Zijn de individuen te vinden op verlaten plantages oude historische individuen of heeft de soort - ondanks de herkomst van buiten Suriname - zich natuurlijk verjongt?

-
Historische context in Suriname:
Men gebruikt Switi lemki tegenwoordig voornamelijk als hegplant, bijvoorbeeld bij het presidentieel paleis in Paramaribo. Echter kan men de plant ook vinden op verlaten plantages bij de Warappakreek en het Matapica kanaal aan de kust. De bevolking van de omringende plantages wist te vertellen dat de plant veel voorkwam op oude dammen in het gebied en tussen cactushagen (zie: Zuilcactus - Cereus hexagonus), zoals op de verlate plantages Johanna Charlotte en Moed en Kommer. De lokale bevolking wist weinig over de herkomst van de plant en vermoedde een gebruik als hegplant in de plantageperiode. In de literatuur wordt nergens melding gemaakt van Switi lemki als plantage plant. De lokale bevolking ontdekte een relict van de plantage periode!
Na de Tweede Wereldoorlog gebruikten kinderen de rode vruchten van de plant om nagellak van te maken. Ook beschreef men een gebruik, o.a. bij koken, voor het aroma van de vruchten.

Loweman bakba (Musa x paradisiaca) ‘Banaan van de slaaf gemaakte’

Volksnaam: Loweman bakba (Sr) 'wegloper banaan', Ghedang kepo(k) (Ja)
Wetenschappelijke naam: Musa x paradisiaca
Groeivorm: Kruid (schijnboom)
Herkomst: Azië (via Afrika?)

In Suriname
Erfgoed type: Slaaf gemaakte tuin
Huidig gebruik: Vrucht als voedsel
Historisch gebruik: Vrucht als voedselbron bij vlucht van de plantage
Overig: -
Openstaande vragen:
- Hoe kwam de loweman bakba wild groeiend in het bos rondom plantage Reijnsdorp, aangezien deze banaan door middel van stekken vermeerderd moet worden?
- Is deze banaan via Afrika met slaaf gemaakten meegekomen, of was de banaan eerder al naar Suriname gehaald en is de plant in gebruik geraakt door slaaf gemaakten die waarschijnlijk het telen van bananen kende?

-
Historische context in Suriname:
De gecultiveerde banaan (Musa x paradisiaca) komt van origine uit Azië, maar bereikte al heel vroeg in de menselijke geschiedenis Afrika, waar men net als in Azië verschillende variëteiten ontwikkelde. Op plantage Reijnsdorp verbouwde de Javaanse gemeenschap een variëteit van banaan met vruchten met een hoekige en dikke schil. Men noemde de plant ‘loweman bakba’.
De oudere generatie vertelde: “Onze voorouders troffen deze plant aan wild groeiend in het bos. Zij namen hem mee naar het dorp en enkele nog aanwezige ex-slaaf gemaakten op de plantage vertelden hen dat dit de ‘loweman bakba’ was met een eigen bijzondere verhaal.
De slaaf gemaakten verbouwden deze banaan op de plantages en gebruikten hem als voedsel tijdens de vlucht van de plantages naar vrijheid”. De term ‘loweman’ verwijst naar de slaaf gemaakten die van de plantage wegvluchtten en ‘bak(u)ba’ is een term die men in sommige West-Afrikaanse landen gebruikt voor bananen.
De gemeenschap op plantage Reijnsdorp zag deze banaan als een ‘wilde’ banaan, maar deze banaan produceert geen vruchtbare zaden en vermeerdert men door middel van stekken. Hoe kwam de banaan ‘wild’ groeiend in het bos? Waren het wellicht overgebleven planten van oude tijdelijke Marronkampen die de eerste contractarbeiders in het bos aantroffen? Op deze vragen is tot op heden geen antwoord. Verdere informatie over de hedendaagse verspreiding van deze banaan was in een tuin in Paramaribo-West. Hier stond ook een ‘loweman bakba’. Hoe? De eigenaresse bleek de plant te hebben ontvangen van een vriend uit het Marrondorp Dritabiki, Sipalwini. Blijkbaar is de plant met zijn verhaal niet alleen overgenomen door de Javeense gemeenschap aan de kust, maar heeft de plant ook de tocht gemaakt met de vluchtende slaaf gemaakten het binnenland in en telen de afstammelingen van de ‘lowemans’ de plant nog! Dit is een mooi voorbeeld van de dynamiek van overdracht van plantengebruik tussen verschillende groepen.

Tamalin (Tamarindus indica) ‘De boom die niet uit de Indiën kwam… of wel?’

Tamarindus indica ripe pods

Volksnaam: Tamalin (Sr), Asem (Ja)
Wetenschappelijke naam: Tamarindus indica
Groeivorm: Boom
Herkomst: Afrika

In Suriname
Erfgoed type: Overgebleven structuur
Huidig gebruik: Voedsel (zaadpulp)
Historisch gebruik: Laan boom, Voedsel (zaadpulp), Takken gebruikt als zweep om slaaf gemaakten te slaan
Overig: De boom vond al vroeg in de menselijke geschiedenis zijn weg uit Oost-Afrika naar India en de rest van Azië. Vroege Europese botanici zagen de boom daarom voor lokale plant aan en gaven hem foutief de naam ‘indica’
Openstaande vragen:
-Wat illustreert het kappen van de tamalin laan op de plantage Alliance? Hecht men in Suriname genoeg waarde aan botanisch erfgoed?
-Hoe zit het met de waarde van erfgoed in het algemeen?
-Is tamalin via Afrika naar Suriname gekomen, of zijn zaden of planten gehaald uit Azië?
-Is de tamalin boom op plantage Johanna Charlotte ook een restant van een oude laan?

-
Historische context in Suriname:
De tamarindeboom komt anders dan de wetenschappelijke naam Tamarindus indica doet vermoeden niet uit India, maar uit tropisch Afrika. De tamarindeboom bevond zich op de Surinaamse plantages vaak in een laan in de richting van het huis van de planter. Geliefd waren vooral de vruchten ‘die van een heilzaame verkoelende kracht zyn, in alle heete ziektes de mond verfrisschende en de buik zuiverende’, aldus Jan Jacob Hartsinck (1770). Slaaf gemaakten gebruikten de plant op eenzelfde manier.
Vele Surinamers wisten te vertellen dat takken van tamalin in de koloniale tijd gebruikt werden als zweep om slaaf gemaakten te slaan. Deze kennis was zowel bekend bij de Boslandcreolen, de Creoolse-, Hindoestaanse- en Javaanse Surinamers.
Op de voormalig plantage Alliance staat een deel van zo een tamarindelaan nog steeds in het dorp. Dit restant beperkt zich tot een zijde van het pad, doordat een aantal decennia terug de eeuwenoude bomen aan de andere kant moesten wijken voor een loods. Een stuk onvervangbaar erfgoed is hiermee voor altijd verloren gegaan.
Op de verlaten plantage Johanna Charlotte bevindt zich een enkele tamarindeboom. Deze boom, bijna zonder overgebleven loof, heeft het duidelijk moeilijk in de zilte omstandigheden en groeit temidden van de lage bodembedekkende vetplanten! Het is zeer uitzonderlijk dat de boom deze omstandigheden tot nog toe heeft weten te overleven. Het is zeer goed mogelijk dat in de nabije toekomst dit individu ten onder gaat en daarmee een stukje levende geschiedenis in Suriname afsterft.

Manja (Mangifera indica) ‘Plantageplant voor iedereen’

Manja op plantage Berg en Dal

Volksnaam: Manja (Sr)
Wetenschappelijke naam: Mangifera indica
Groeivorm: Boom
Herkomst: Azië

In Suriname
Erfgoed type: Contractarbeider gewas, Slaaf gemaakten tuin, Plantageplanter gewas
Huidig gebruik: Voedsel (vruchten)
Historisch gebruik: Voedsel (vruchten)
Overig:
Openstaande vragen:
-Welke manja cultivars groeien in Suriname?
-Welke manja cultivar is wanneer in Suriname gekomen?
-Wie bracht welk manja cultivar naar Suriname?
-Zijn de bomen bij plantage Berg en Dal de oudste manja bomen in Suriname?
-Is de omtrek van de stam een goede maat voor de ouderdom van manja?

-
Historische context in Suriname:
De manja komt oorspronkelijk uit Azië, waar men de boom al millennia cultiveert. Rond de 10e eeuw (CE) begon cultivatie ook in Afrika. In Suriname is manja ook al eeuwen te vinden. Beschrijvingen van de plant vindt men al in de 18e eeuw.
Men kan vele cultivars onderscheiden, waarvan een aantal in Suriname voorkomen. Het is onduidelijk welke manja cultivar wanneer, via welk continent en door wie naar Suriname zijn gebracht. Relatief recent zijn via de contractarbeiders nieuwe cultivars het land binnengekomen.
De manja is zeer populair als vrucht en men vindt de plant dan ook overal, in Paramaribo en op de voormalige plantages. Op plantage Berg en Dal staat een aantal reusachtige manja bomen met dikke stammen en een aan de buitenlucht blootgesteld omvangrijk worteldek. Op het oog zien de individuen met hun bijna vijf meter omtrek eruit alsof ze er al een paar eeuwen staan (zie foto); wellicht zijn dit zelfs wel de dikste mangobomen aangetroffen in Suriname. Deze reuzen staan tussen de originele woningen van de planter en slaaf gemaakten. Een informant beaamde de ouderdom en noemde de erosie bij het daardoor blootliggende worteldek een indicatie daarvan.
Toch zegt de hoogte van een boom niet alles. Op plantage Reijnsdorp staat ook een hoge mangoboom (met drie en een halve meter omtrek). De jongere generatie daar noemde de boom ‘eeuwenoud’. Echter, bij navraag bij de oudere generatie bleek dat de boom nog in hun jeugd was aangeplant en ‘slechts’ 80 jaar oud was. Andere informanten noemden dat manja bomen die jong zijn toch snel oud kunnen lijken door hun grootte.

Ketan ireng (Oryza sativa) ‘Ondergang van een Javaans gewas’

Ketan ieran planten bijna oogstklaar met rijpe korrel en kaf

Volksnaam: Ketan ireng (Ja) 'zwarte kleefrijst', Blaka alesi (Sr) 'zwarte rijst'
Wetenschappelijke naam: Oryza sativa cultivar
Groeivorm: Kruid
Herkomst: Azië (Java)

In Suriname
Erfgoed type: Contractarbeider gewas
Huidig gebruik: Voedsel (korrels)
Historisch gebruik: Voedsel (korrels), Ceremonieel (korrels)
Overig:
Openstaande vragen:
-Wanneer kwam ketan ireng in Suriname aan?
-Op welke lokaties buiten plantage Reijnsdorp verbouwt men nog steeds ketan ireng?

-
Historische context in Suriname:
In het dorp op voormalig plantage Reijnsdorp verbouwt een oudere dame (78 jaar) ketan ireng , een cultivar van rijst met zwarte korrels. Vroeger gebruikte men deze rijst veelvuldig als voedsel en voor ceremonies (bv. trouwerijen). De enige oudere Javaanse dame die deze rijstvariëteit nog verbouwt vertelde:
"Mijn voorouders, de eerste generatie arbeidsmigranten in Suriname brachten deze rijst mee uit Java. In voormalig Nederlands Indië produceerde men voor de contracttijd deze rijst op commerciële wijze.
Vroeger plantte men deze variëteit veel in Suriname, maar momenteel niet meer. Ik en mijn nicht zijn als enige mensen nu nog bezig met het planten, oogsten en prepareren van de rijst. Elke keer als mijn familie uit de stad me belt, vragen ze me: “en, is het al tijd om te stoppen?” ze vinden dat ik op mijn leeftijd niet zulk zwaar werk moet doen. Echter, het planten van de rijst geeft Javanen een gevoel van rust. Het verbindt me met mijn cultuur, mijn religie, de natuur en mijn voorouders.
Veel rituelen zijn al verloren gegaan, zoals de dag om het planten te beginnen, zelfs het tijdstip, en ook het moment van de eerste oogst. Ik doe dit al sinds mijn 10e. Mijn moeder en vader leerden me hoe de rijst te verbouwen. Ik doe het nog steeds graag. Dit is een stukje van mijn cultuur dat ik wil behouden. Rijst is een basisgewas, een gift van God. Wanneer je de zegen van de heer hebt, geven je veldjes veel mooie rijst.
Vroeger had ik veel meer velden, wel tien keer zoveel. Nu heb ik wanneer ik een goede oogst heb ongeveer 100 kilo. Momenteel is de productie op plantage Reijnsdorp alleen genoeg voor op hier. Vroeger had ik genoeg voor plantage Alliance en zelfs om bij een goede oogst ook rijst in Paramaribo te verkopen. Mijn nichtje [46 jaar] hier op Reijnsdorp is de enige die de rijst ook nog weet te verbouwen.
Wist je trouwens dat vrouwen veel sneller zijn met zowel planten als oogsten? Het is werk dat behendigheid vraagt en secuur gedaan moet worden." besluit ze met een knipoog.

Een oudere Javaanse meneer (70 jaar) op plantage Alliance vertelde:" Toen ik klein was, verbouwde men hier op Alliance deze kleefrijst nog wel, maar nu helemaal niet meer. Iedereen verbouwde vroeger op een eigen stuk grond wat rijst, op traditionele Javaanse wijze. De staat bouwde indertijd kleine pellerijen, één hier op Alliance, één op Constancia en één op plantage Reijnsdorp. Deze pellerijen gingen echter allemaal stuk en nooit meer gerepareerd. Hierdoor werd het voor veel mensen te veel werk om nog de rijst te verbouwen en zo liep het gebruik terug."
Wellicht dat binnenkort deze rijst, nu nog relict, helemaal verdwenen zal zijn.
Verbouw, oogst en prepareren van Ketan ireng:
1) Een veld prepareren door onkruid weg te halen, te egaliseren en de grond zeer vochtig te maken. Vervolgens rijstkorrels (van bijvoorbeeld de eerdere oogst) inzaaien en laten liggen aan het oppervlak
2) De rijst twee maanden laten groeien tot 'bibits' (Ja, jonge rijstplanten) opkomen.
3) De bibits overplanten naar een nat veld met minstens 10-15cm water, vervolgens de bibits nog vijf maanden laten groeien.
Na ongeveer zeven maanden in totaal is de rijst oogstklaar, wat te herkennen is aan dat de aren droog en hard worden. Tijdens elke stap dient men opkomend onkruid te verwijderden.
Verder gebruikt men een kleine hoeveelheid pesticiden uit Paramaribo, net als een beetje kunstmest. Vroeger gebruikte men hiervoor kippenmest en rundermest aangezien men op het erf vaak deze dieren had.
4) De stengels dient men boven het laatste blad af te snijden, waarna de aren een hele dag in de volle zon moeten drogen. De verwerking geschiedt geheel handmatig.
5) De rijst slaan met een stok om de korrels uit de omhulsels te krijgen (zie foto rechts: Mevrouw Ronowikromo poseert met haar stok).
Wanneer de rijst vrijwel rijp is, zijn vogels een ware plaag: ze kunnen binnen de kortste keren een heel veld leeghalen. Vogelverschrikkers werken maar beperkte tijd. Een andere plaag is de fjo-fjo vlieg (Sr).


Gerechten
De rijst kan in heleboel gerechten worden gebruikt (meer dan vijftig). Pap van gestampte korrels at men vroeger veel. Ook kende het meel veel gebruiken. Een paar gerechten zijn 'kemplang', een zoet gebakje met kokos, 'jenang', een soort pap, 'wajik', een vaste massa waarbij het meel met kokosmelk en suiker gekookt is, 'onde-onde', balletjes gemaakt van gestampt meel en 'tape'.
Mevrouw Marie Ronowikromo, die als een van de laatsten de ketan ieran verbouwt, met haar stok om de rijst uit de omhulsels te krijgen

Marie Ronowikromo met een rijstplant voor haar rijstveld.

Planten in Suriname in 1667: al een wereldwijde diversiteit

In “An Impartial Description of Surinam upon the Continent of Guiana in America” uit 1667 (slechts 17 jaar na de kolonisatie!) noemt schrijver George Warren een aantal gewassen. Hij beschrijft de aanwezigheid van Oranges, lemons, limes, pomcitrons, water melons [oorspronkelijk uit Afrika] & musk melons, grapes. Later noemt hij ook nog plantons, bonanoes, semerrimas [onduidelijk welke soort bedoelt wordt], guavers [guave], pines [ananas], Wilde Trash [onduidelijk welke soort bedoeld wordt]. Commodities (stapelgewassen) zijn sugar, speckle-wood [onduidelijk welke soort bedoeld wordt], cotton, tobacco, indico, gums, dying woods [onduidelijk welke soorten bedoeld wordt], cassia fistula [oorspronkelijk uit Azië]. Andere voorkomende genoemde planten zijn Indian corn [oftewel mais], canes, yames [mogelijk Yam uit Afrika]. Specifieke planten van de inheemsen is Cassader [oftewel cassave].

Deze tekst laat zien dat al vroeg in de geschiedenis van Suriname Afrikaanse en Aziatische planten hun weg vonden naar Suriname, overigens net als gewassen uit andere delen van de Amerikas dan Suriname. Voor het grootste gedeelte worden voedsel gewassen genoemd, maar ook een aantal gebruiksgewassen komt langs. Hij noemt een een aantal soorten die onbekend zijn, een idee welke soorten dit zouden kunnen zijn? Neem vooral contact op!

Ghedang klutuk (Musa balbisiana) ‘De oneetbare banaan’

Longitudinale sectie van ghedan kloeto vrucht

Volksnaam: Ghedang klutuk (Ja)
Wetenschappelijke naam: Musa balbisiana
Groeivorm: Kruid (schijnboom)
Herkomst: Azië

In Suriname
Erfgoed type: Contractarbeider gewas
Huidig gebruik: Geen gevonden
Historisch gebruik: Onbekend
Overig: Gegeten door apen.
Openstaande vragen:
-Hoe kwam ghedang klutuk in Suriname?
-Wanneer kwam ghedang klutuk in Suriname?

-
Historische context in Suriname:
In het verlaten gedeelte van het dorp op plantage Reijnsdorp groeien grote hoge bananenplanten. Deze banaan, door de lokale Javaanse gemeenschap Ghedang klutuk genoemd, is één van de voorouders van de gecultiveerde banaan: een wilde banaan met harde zaden.
Deze banaan komt niet voor op de checklist van de Guianas en is in 2012 voor het eerst in Suriname gevonden!
Hoe kwam deze wilde voorouder der bananen, die tegenwoordig vanwege zijn zaden als oneetbaar wordt beschouwd, terecht in Suriname? Helaas konden de eigenlijke eigenaren van de plant dit mysterie niet oplossen, omdat zij rond de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 plantage Reijnsdorp verlieten. Gezien de Aziatische origine en de late ‘ontdekking’ van de plant is het waarschijnlijk dat deze soort meekwam naar Suriname met Javaanse contractarbeiders. Dit komt mogelijk terug in een verhaal van een inwoner op de plantage: “Mijn grootvader vertelde mij dat toen hij de overtocht maakte vanuit Java met de Hollanders, ze verschillende levende planten in het schip meenamen, waaronder de koningsbanaan ‘ghedang raja’”. Wellicht dat een kleine plant, moeilijk te onderscheiden van de andere bananensoorten, daar als verstekeling meekwam, of wellicht dat de plant de overtocht als een zaad maakte.
Ghedan kloeto op het verlaten gedeelte van plantage Reijnsdorp

Ghedan kloeto vrucht en bloeiwijze

Schroefpalm (Pandanus dubius) ‘Vezelplant zonder gebruiken?’

Pandanus dubius op plantage Berg en Dal

Volksnaam: Schroefpalm (Sr)
Wetenschappelijke naam: Pandanus dubius
Groeivorm: Schroefpalm
Herkomst: Azië

In Suriname
Erfgoed type: Contractarbeider gewas
Huidig gebruik: Sierplant(?)
Historisch gebruik: Onbekend
Overig: In Azië gebruikt men de plant voor vezels om manden e.d. mee te maken.
Openstaande vragen:
-Hoe kwam de schroefpalm in Suriname?
-Wanneer kwam de schroefpalm in Suriname?
-Zijn de schroefpalm in Ostendorf's 'Nuttige planten en Sierplanten van Suriname' en deze schroefpalm dezelfde soort?

-
Historische context in Suriname:
Schroefpalmen komen oorspronkelijk uit de tropische regio in Azië. In Azië gebruikt men de planten voor velerlei doeleinden, zoals gebruik van de vezels voor handwerken en bepaalde soorten voor voedsel gebruik (bijvoorbeeld pandan rijst - de soort Pandanus amaryllifolius).
Er is weinig bekend over de komst van schroefpalmen in Suriname. Ostendorf noemt in zijn standaardwerk 'Nuttige planten en Sierplanten van Suriname' de soort Pandanus tectorius. Deze bracht men rond 1910 vanuit Java mee naar Suriname. Wellicht dat meerdere soorten schroefpalmen in die tijd naar Suriname zijn gekomen, of dat de soort heel recent als sierplant is ingevoerd.