De veelzijdigheid van de banaan bij de Surinaamse Marrons

Door Minke Reijers, ethnobotanicus

In Suriname groeien niet alleen inheemse planten, maar ook Afrikaanse planten, zoals banaan, oker en sesam. Deze planten kwamen met de schepen die de slaafgemaakten vervoerden naar de Amerika’s en zijn daarna door de slaafgemaakten in hun tuinen verbouwd. Tijdens de vlucht van de Marrons zijn de planten meeverhuisd naar het binnenland. In de dorpen Moitaki (district Sipaliwini, aan de Tapanahoni) en Jawjaw (district Sipaliwini, aan de Suriname Rivier) groeien nog steeds Afrikaanse gewassen op de kostgronden van de Aukaners en Saramaccaners, waaronder vele bananen.
Wat kun je allemaal doen met een banaan? Het blijkt dat men in Nederland een nogal eenzijdig beeld heeft van wat er mogelijk is met een banaan, als je het vergelijkt met de Surinaamse Marrons. Eerst is het belangrijk om te zeggen dat een banaan niet gewoon een banaan is. Het onderzoeksteam waar ik onderdeel van uitmaakte trof in totaal 19 verschillende cultivars aan. Een cultivar is een door mensen gekweekte ondersoort binnen een soort. Verschillen tussen de bananen bananenplanten kunnen soms alleen door Marrons worden waargenomen. De gevonden bananenvruchten verschillen in vorm, kleur, smaak. Vaak worden deze bananen op verschillende manieren gebruikt.

3bananen

(*Klik op plaatjes om ze te vergroten*) Van links naar rechts de de Loweman baana (weglopersbanaan, foto: Tinde van Andel), de Ingi bakuba (indianen bacove, foto: Amber van der Velden), en de Sukuu finga bakuba (suikervinger bacove, foto: Amber van der Velden).

Diverse bananen, bijvoorbeeld de sukufinga bakuba en de ingi bakuba, kan je gewoon uit de hand opeten. Er zijn ook een heleboel bananen die je meestal niet zo uit de hand eet. Je kan ze koken (bori baana), bakken met bloem en olie (baka baana) en stampen (tonton baana). In de tonton baana is de cultivar suwa suwa baana trouwens erg lekker, deze smaakt een beetje zuur.
In Moitaki leerde Densasi Misidjan ons allerlei heerlijke bananenrecepten. Heriheri viel bij mij erg in de smaak. Hiervoor moet je bakbananen, zoete cassave en zoete patat in plakken snijden en bakken in olie. In de grote droge tijd (ongeveer van augustus tot november) komt daar ook nog vis bij, maar dat was op dat moment niet voorradig.

Densasiheriheri

Densasi is bezig met de heriheri: de zoete cassave, zoete patat en bakbananen worden gebakken. Foto: Minke Reijers.

Banaan kan je ook heel goed mixen met rijst en pinda. Op een andere dag hebben we twee andere recepten uitgeprobeerd, waarvoor je eerst in een vijzel rijst tot meel moest stampen. Daarbij werden geroosterde pinda’s gestampt en erna ook rijpe bananen, zodat er een dik, vloeibaar beslag ontstond. Dit beslag werd in een bananenblad gevouwen en dan kon je het zowel koken als roosteren. Gekookt wordt het een soort pudding en heet het bij de Aukaners baana afufu. Als je het roostert wordt het een soort harde koek en wordt het baana kuku of doku genoemd. Kokkin Densasi wist ook nog te vertellen dat er een ander gerecht wordt gemaakt dat ook baana afufu heet. Dit is een pindasoep met geroosterde banaan en zoete cassave erin.
In Jawjaw waren veel recepten die we in Moitaki gekookt hadden ook bekend, en we vonden ook weer nieuwe recepten. Zo hebben we baana apiti mogen proeven, een soep met balletjes van geraspte banaan. Lise Lenga maakte dit voor ons met kokosmelk, adjinomoto en knakworstjes uit de winkel. Het traditionele recept wordt met wild vlees of vis gemaakt, maar knakworstjes smaken er ook niet verkeerd bij.

baanaapiti

Baana apiti gemaakt door Lise uit Jawjaw en geraspte banaan voor in de baana apiti (Foto’s:Minke Reijers).

Verder hebben we hier ook baana chips gemaakt, die door heel Suriname en in Nederland verkrijgbaar zijn. Een ander recept wat we gemaakt hebben was fada een zoet gerecht met gestampte pinda, gestampte banaan en suiker. Om de verwarring te vergroten wordt dit ook wel eens baana afufu genoemd, net als de eerder genoemde soort pudding en de pindasoep met geroosterde banaan en zoete cassave erin.

Lisepindabanaan

Lise stampt pinda en banaan door elkaar voor de fada (baana afufu, foto: Tinde van Andel).

Bananen worden niet alleen voor eten gebruikt, ze kunnen ook een geneeskrachtige werking hebben. Van de schil van de bakuba (‘Cavendish’ cultivar) wordt een thee gezet die helpt tegen diarree. Ook wordt van verschillende bananencultivars de vrucht of de schil gebruikt in rituele baden. Dan was er nog een klein bananenboompje dat wataa mama bakuba (‘Dwerg Cavendish’ cultivar) heet en waarvoor de bladeren in rituele babybaden worden gebruikt om de baby te stimuleren eerder te gaan lopen (waka snel).

Ceciliawataamama

Cecilia bij haar wataa mama bakuba boom (Foto: Minke Reijers).

Op de vreedzaammarkt in Paramaribo komen vele Marrons hun waar uit het binnenland verkopen. Daar sprak ik een Saramaccaanse die de bloeiwijze van een uma baana verkocht. Het woord uma in het Sranan Tongo betekent vrouw. Zij leerde me dat het witte hart van de bloeiwijze werd gebruikt om de geboorte te vergemakkelijken. Hier zie je mooi een koppeling tussen de naam en het gebruik van een plant.
Zo zie je maar: een banaan is niet zomaar een banaan. Er worden veel verschillende cultivars gekweekt en deze worden voor verschillende doeleinden gebruikt. Het is niet alleen de smaak of vorm van de banaan die belangrijk is voor in gerechten. Terwijl sommige van deze bananen alleen geschikt zijn voor consumptie, hebben anderen ook rituele doeleinden.
Door geïsoleerde levenswijze van de Marrons (na hun vlucht van de plantages is er lange tijd nauwelijks contact met het kustgebied geweest), is veel van hun unieke cultuur behouden gebleven. In deze cultuur is ook de Afrikaanse oorsprong nog terug te vinden, bijvoorbeeld in de namen voor recepten. Het woord afufu, wat bij de Aukaners en Saramaccaners voor verschillende gerechten wordt gebruikt, komt ook in West-Afrika voor. In Ghana en Nigeria is fufu de naam van een dikke puree, gemaakt van banaan, maar het kan ook van yam of cassave. We hebben gehoord dat dit in Suriname ook gedaan wordt, maar we hebben het nooit gezien, weet iemand hier het recept van?
Ook het woord doku wordt in West-Afrika nog steeds gebruikt voor een gerecht. Het woord doku wordt in Ghana gebruikt voor een gerecht dat bestaat uit een deeg van gefermenteerde maïs, dat in een bananenblad wordt opgediend. Hier is te zien dat, hoewel soms in een andere betekenis, deze woorden zijn meegenomen uit Afrika.

Ik heb vast nog een heleboel Marron recepten met banaan erin niet genoemd. Zouden jullie in de reacties nog meer traditionele bananenrecepten (en foto’s) willen delen? En wie weet: de naam of het recept komt misschien wel oorspronkelijk uit Afrika!

 

 

volksnaam onbekend (Caesalpinia bonduc) ‘De oceaan over, als smokkelwaar of drijfzaad… of allebei?’

Volksnaam: onbekend
Wetenschappelijke naam: Caesalpinia bonduc
Groeivorm: Kruid
Herkomst: Afrika, Pantropisch?

In Suriname
Erfgoed type: Slaafgemaakten tuin
Huidig gebruik: Geen
Historisch gebruik: Medicinaal
Overig: Deze soort vormt drijfzaden en lijkt natuurlijk voor te komen op vele kusten wereldwijd.
Openstaande vragen:
- Hoe maakte 'bonduc' de Atlantische oversteek?
- Zijn er Marrons in het binnenland die deze zaden nog gebruiken?
- Kent de inheemse bevolking deze zaden en waarvoor gebruikt men hen?
- Worden de zaden nog voor rituele doeleinden gebruikt?
- Is een foto beschikbaar van de zaden in gebruik in Suriname?
Historische context in Suriname:
Drijfzaden van deze zeer stekelige plant komen via natuurlijke verspreiding voor op stranden over de hele wereld. Een enkeling van de oudere generatie in Suriname weet dat men zaden medicinaal gebruikt: bij kinderen met last van hun buik kan men een polsketting van zaden maken.
In Ghana gebruikt men de drijfzaden ook medicinaal, geregen in een ketting om het middel van een ziek kind, tegen huidaandoeningen. Ook gebruikt men in Ghana de zaden als speelstenen in een spel genaamd ‘agi’ (Ewe) of ‘aware’ (Twi) . Dit ‘agi’ spel bleek voor veel mensen in Suriname onbekend.
Iemand uit het marrondorp Dritabiki herkende het zaad wel. Volgens hem wordt het spel nog gespeeld door de ouderen, maar de jeugd kent het niet meer. Deze zaden zijn bekend, maar het spel wordt er niet meer mee gespeeld. Marrons blijken tegenwoordig andere zaden (van Ormosia spp.) te gebruiken om het ‘agi’ spel te spelen.
Hoewel het onduidelijk is of de plant op natuurlijke wijze als drijfzaad de Atlantische overtocht heeft gemaakt of dat mensen deze plant onbewust of bewust meenamen, bijvoorbeeld als sieraad of zaad met rituele betekenis, lijken Afrikaanse gebruiken nog steeds in Suriname aanwezig.

Op zoek naar de weglopersbanaan

Door Tinde van Andel, etnobotanicus bij Naturalis Biodiversity Center, Leiden

Tijdens de trans-Atlantische slavenhandel deden een aantal Afrikaanse voedselgewassen hun intrede in Suriname. Sesamzaad, bakbananen, oker, sopropo en de Afrikaanse oliepalm werden als voedsel in West Afrika ingescheept, maar sommige zaden en stekjes kwamen ongeschonden de oceaan over. Slaven smokkelden ze uit de scheepsruimen en teelden de gewassen voor eigen consumptie op hun kleine kostgrondjes achter de plantages. Toen de Marrons in de 18e eeuw de plantages ontvluchtten, namen ze zaden en stekjes mee het binnenland in. Diep in het regenwoud maakten ze nieuwe kostgrondjes. Nu de meeste plantages in het Surinaamse kustgebied zijn verlaten, zijn Marrons vaak de enige die deze “vergeten Afrikaanse groenten” nog verbouwen. Zoals bijvoorbeeld de weglopersbanaan.

lise (Small)Lise, een Saramaccaanse boerin uit Jawjaw op haar kostgrondje. Op de achtergrond een bananenboom. Foto: Minke Reijers

Nazaten van Javaanse en Hindostaanse contractarbeiders ontdekten een vreemd soort bakbanaan in het bos rond de verlaten plantage Reijnsburg in Commewijne. Ouderen in het dorp Bakkie herkenden de vrucht als een lowe man bana, oftewel een ‘weglopersbanaan’. Volgens hen werd dit type bakbanaan vroeger gekweekt door slaven die de plantage waren ontvlucht en zich ophielden in de bossen rondom Reijnsburg.

Voor zijn afstudeeronderzoek naar botanische plantagerelicten maakte de Amsterdamse student Thiëmo Heilbron een herbariumcollectie van deze dikke, hoekige banaan en stuurde die naar Finland. Bananenspecialist Markku Häkkinen identificeerde de plant als Musa x paradisiaca L. triploid ABB (1x M. acuminata, 2 x M. balbisiana), ook wel bekend als het “bluggoe type”. Dit soort bakbananen zijn eeuwen geleden in Centraal Afrika als eerste gedomesticeerd uit wilde en gekweekte zoete bananen. Sommige weglopersbananen uit Bakkie hebben zelfs nog een paar keiharde, zwarte zaden!

amriet (Small)Amried Doebar kweekt nu zelf weglopersbananen in Bakkie, Commewijne. Hij verkoopt ze aan toeristen die de Warappakreek bezoeken. Ook Surinaamse toeristen hebben vaak nog nooit van deze lowé man bana gehoord! Foto: Christiaan van der Hoeven

In 2013 vertrok een etnobotanisch onderzoeksteam, bestaande uit de Wageningse studenten Minke Reijers en Amber van der Velden, de Leidse student Tessa Vossen en mijzelf naar het binnenland van Suriname. We gingen op zoek naar “vergeten Afrikaanse groenten” op de kostgrondjes van de Marrons. In de dorpen Mooytaki (Tapanahoni) en Jawjaw (Boven Suriname) vonden we niet minder dan 19 verschillende bananencultivars! We maakten botanische collecties, documenteerden lokale Aucaanse en Saramaccaanse namen, beschreven de bladeren, bloemen en vruchten van de bananenbomen en kregen zelfs kookles. Recepten van de traditionele Marrongerechten met bakbanaan, zoals dokun en bana afufu zijn terug te vinden op ons blog http://bushblogsuriname.wordpress.com

Met behulp van de bananenspecialisten in Finland hebben we geprobeerd om wetenschappelijke namen voor de binnenlandbananen te vinden. Dat was geen sinecure!

sipi (Small)De sipi bana ‘scheepsbanaan’ is een zoet banaantje aan een klein boompje. De trossen hangen soms tot op de grond. Is dit een dwarf Cavendish?
Foto: Minke Reijers

Opmerkelijk was dat geen van de door ons geïnterviewde Marrons ooit van de weglopersbanaan had gehoord. Ze kweekten wel diverse dikke, hoekige bananen van het ‘bluggoe type’, zoals bijvoorbeeld de aponto. Dit woord lijkt op de term apantu, in 1998 door Gerda Rossel gedocumenteerd voor een zeer grote, groene bakbanaan in Ghana. De Surinaamse aponto is echter kort, driehoekig en oranjerood als hij rijp is.

oponto (Small)De aponto bana, ook wel bekend als apantakëe. De laatste naam betekent “schrikken en huilen” in de Saramaccaanse taal. De Aucaners kennen hem as patankele. We zijn er niet achtergekomen waarom de banaan zo heet. Hij is lekker stevig, heeft wit vruchtvlees en vertoont opvallende gelijkenissen met de weglopersbanaan. Foto: Minke Reijers

Dit is een klein zoet banaantje dat door de Saramaccaners toto bana wordt genoemd. Ze eten niet alleen de vrucht, maar ook de bladeren worden gebruikt. Die drogen ze en trekken er dan een thee van tegen hoge bloeddruk. De gedroogde bladeren worden ook verwerkt in compressen die op gebroken ledematen worden gelegd om deze te genezen. Ook dienen de droge toto bana bladeren als ingrediënt voor spirituele kruidenbaden.

Helaas zijn we nooit een rijpe toto bana tegengekomen. De dorpelingen in Jawjaw vertelden dat de banaan zwart werd, maar we begrepen niet of ze hiermee de donkere kleur van de stam bedoelden of dat de vrucht zelf donkerrood werd bij rijping. Ook hebben we nog geen wetenschappelijke naam aan deze banaan kunnen plakken.
Wie kent de kleur van een rijpe toto bana? Het woord toto komt uit Gabon, daar betekent het ‘banaan’.

De Surinaamse Marrons, nazaten van de ‘weglopers’ uit de 18e eeuw, kweken dus niet één, maar een heleboel exotische bananen! De wetenschappelijke identiteit van de verschillende bananencultivars mag dan nog steeds niet met zekerheid vastgesteld zijn, het is duidelijk dat deze bananen een belangrijke rol spelen in de culinaire, medicinale en spirituele cultuur van de Marrons.

toto (Small)Toto bana, onrijpe vrucht. Foto: Minke Reijers

Meer informatie over dit project:
http://bushblogsuriname.wordpress.com
http://osodresie.wikispaces.com/Home
https://science.naturalis.nl/en/people/scientists/tinde-van-andel/

Watra krarun (Amaranthus australis) ‘Indicator historische inheemse migratie?’

Wilde klaroen

Volksnaam: Watra krarun (Sr) 'water klaroen'
Wetenschappelijke naam: Amaranthus australis
Groeivorm: Kruid
Herkomst: Inheems

In Suriname
Erfgoed type: Inheemsen, Contractarbeider gewas
Huidig gebruik: Voedsel (juveniele planten gekookt)
Historisch gebruik: Onbekend
Overig: Groeit voornamelijk in water, maar kan ook op vochtige grond overleven.
Openstaande vragen:
-Hoe heeft de Watra krarun zich over de America's verspreid?
-Voor wat voor doeleinden gebruikten de inheemsen de plant?
-
Historische context in Suriname:
De plant komt veelvuldig voor in het moerassige kustgebied in Suriname. Op sommige plekken staan velden vol en is het een van de meest geziene planten (bijvoorbeeld ten noorden van plantage Johanna Margaretha).
Op plantage Reijnsdorp herkent de oudere Javaanse generatie de plant als een eetbaar gewas. De jongere generatie herkent de plant echter niet als zodanig. Een oude vrouw vertelde dat slechts de jonge planten (juvenielen) van deze soort eetbaar zijn, omdat bij oudere planten te vezelig zijn.
In de Flora van Suriname komt deze plant voor, maar in de databases van het Herbarium van Suriname (BBS) en Nationaal Herbarium Nederland (NHN), zijn slechts enkele exemplaren. In online herbarium databases blijkt de plant veel voor te komen aan de oostkust van de Verenigde Staten.
Onduidelijk is of de plant een dergelijk ruim verspreidingsgebied heeft of dat de plant door mensen is verspreid (historisch of recent gezien). Aangezien vóór de koloniale tijd de inheemsen handelden langs de kust en tijdens de koloniale tijd veel intra-Amerikaanse vaart plaatsvond, lijkt een menselijke verspreiding goed mogelijk.

Loweman bakba (Musa x paradisiaca) ‘Banaan van de slaaf gemaakte’

Volksnaam: Loweman bakba (Sr) 'wegloper banaan', Ghedang kepo(k) (Ja)
Wetenschappelijke naam: Musa x paradisiaca
Groeivorm: Kruid (schijnboom)
Herkomst: Azië (via Afrika?)

In Suriname
Erfgoed type: Slaaf gemaakte tuin
Huidig gebruik: Vrucht als voedsel
Historisch gebruik: Vrucht als voedselbron bij vlucht van de plantage
Overig: -
Openstaande vragen:
- Hoe kwam de loweman bakba wild groeiend in het bos rondom plantage Reijnsdorp, aangezien deze banaan door middel van stekken vermeerderd moet worden?
- Is deze banaan via Afrika met slaaf gemaakten meegekomen, of was de banaan eerder al naar Suriname gehaald en is de plant in gebruik geraakt door slaaf gemaakten die waarschijnlijk het telen van bananen kende?

-
Historische context in Suriname:
De gecultiveerde banaan (Musa x paradisiaca) komt van origine uit Azië, maar bereikte al heel vroeg in de menselijke geschiedenis Afrika, waar men net als in Azië verschillende variëteiten ontwikkelde. Op plantage Reijnsdorp verbouwde de Javaanse gemeenschap een variëteit van banaan met vruchten met een hoekige en dikke schil. Men noemde de plant ‘loweman bakba’.
De oudere generatie vertelde: “Onze voorouders troffen deze plant aan wild groeiend in het bos. Zij namen hem mee naar het dorp en enkele nog aanwezige ex-slaaf gemaakten op de plantage vertelden hen dat dit de ‘loweman bakba’ was met een eigen bijzondere verhaal.
De slaaf gemaakten verbouwden deze banaan op de plantages en gebruikten hem als voedsel tijdens de vlucht van de plantages naar vrijheid”. De term ‘loweman’ verwijst naar de slaaf gemaakten die van de plantage wegvluchtten en ‘bak(u)ba’ is een term die men in sommige West-Afrikaanse landen gebruikt voor bananen.
De gemeenschap op plantage Reijnsdorp zag deze banaan als een ‘wilde’ banaan, maar deze banaan produceert geen vruchtbare zaden en vermeerdert men door middel van stekken. Hoe kwam de banaan ‘wild’ groeiend in het bos? Waren het wellicht overgebleven planten van oude tijdelijke Marronkampen die de eerste contractarbeiders in het bos aantroffen? Op deze vragen is tot op heden geen antwoord. Verdere informatie over de hedendaagse verspreiding van deze banaan was in een tuin in Paramaribo-West. Hier stond ook een ‘loweman bakba’. Hoe? De eigenaresse bleek de plant te hebben ontvangen van een vriend uit het Marrondorp Dritabiki, Sipalwini. Blijkbaar is de plant met zijn verhaal niet alleen overgenomen door de Javeense gemeenschap aan de kust, maar heeft de plant ook de tocht gemaakt met de vluchtende slaaf gemaakten het binnenland in en telen de afstammelingen van de ‘lowemans’ de plant nog! Dit is een mooi voorbeeld van de dynamiek van overdracht van plantengebruik tussen verschillende groepen.

Zuilcactus (Cereus hexagonus) ‘Woestijnplant in het moerasbos’

Volksnaam: Zuilcactus
Wetenschappelijke naam: Cereus hexagonus
Groeivorm: Succulent kruid
Herkomst: Inheems

In Suriname
Erfgoed type: Overgebleven structuur
Huidig gebruik: Sierplant
Historisch gebruik: Hegplant
Overig:
Openstaande vragen:
-Wordt de zuilcactus ergens in literatuur (bv historische beschrijvingen) genoemd als hegplant op de Surinaamse plantages?
-Hoe komt het dat zuilcactus het in de open vegetatie bij de kust minder goed doet dan in het moerasbos, hoewel de open vegetatie meer op de natuurlijke habitat lijkt dan het moerasbos?
-Wat is de origine van de cactushagen op Johanna Margaretha?

-
Historische context in Suriname:
Zuilcactus bevindt zich op verschillende verlaten plantages rond de Warappakreek. Hier staat de plant in rijen op kleine dammen afkomstig uit de plantageperiode. Temidden van de kustmoerasvegetatie, teruggegroeid op grote delen van de plantages, springen deze cactusrijen er uit tussen de rest van de aanwezige planten. Deze cactussen groeien normaliter op zandige banken bij de kust (bijvoorbeeld bij Galibi) en in de savanne, op rotsformaties in het bos en de savanne en rivierbeddingen van graniet.
Zonder aanwijzingen voor enige recente herkomst van deze cactushagen, zijn deze waarschijnlijk overblijfselen van historische cactushagen. Door mensen aangelegde cactushagen zijn wel bekend van de Nederlandse Antillen, waar men tot nu toe nog cactussen gebruikt als heg. Van de Surinaamse plantages waren hagen van een inheemse cactus niet bekend! Cactussen worden slechts genoemd in een plan om het Cordonpad tegen aanvallen van de Marron te beschermen, maar deze plannen zijn nooit tot uitvoer gebracht.
De plant verjongt zich en men kan hem vaak genoeg in bloei of vruchtdragend treffen. Gek genoeg heeft de plant het moeilijker aan de kuststreek op de dijkjes dan in het moerasbos. Individuen in de swamp groeien ongeveer van 1-4m terwijl in het moerasbos individuen van 3-10m staan.
Bij plantage Johanna Margaretha groeit zuilcactus heel dicht bij het strand op dijkjes, die iets weg hebben van een oud drainage kanaal. Tussen de zuilcactushagen groeit soms Switi lemki (zie Switi lemki), zowel bij de plantages langs het Warappakanaal (plantage Anna's Zorg, plantage Badenstein, plantage Moed en Kommer), als bij Matapica kanaal (plantage Johanna Charlotte).
Soms vindt men de cactus in tuinen als sierplant (bijvoorbeeld in Paramaribo, plantage Reijnsdorp en plantage Montpellier).
Check ook de NTR documentaire De Slavernij afl.4 Industrie in de Tropen (18:30-21:40) voor beelden van deze zuilcactus (en spot de dadel die succesvol de oceaan overstak).

Ketan ireng (Oryza sativa) ‘Ondergang van een Javaans gewas’

Ketan ieran planten bijna oogstklaar met rijpe korrel en kaf

Volksnaam: Ketan ireng (Ja) 'zwarte kleefrijst', Blaka alesi (Sr) 'zwarte rijst'
Wetenschappelijke naam: Oryza sativa cultivar
Groeivorm: Kruid
Herkomst: Azië (Java)

In Suriname
Erfgoed type: Contractarbeider gewas
Huidig gebruik: Voedsel (korrels)
Historisch gebruik: Voedsel (korrels), Ceremonieel (korrels)
Overig:
Openstaande vragen:
-Wanneer kwam ketan ireng in Suriname aan?
-Op welke lokaties buiten plantage Reijnsdorp verbouwt men nog steeds ketan ireng?

-
Historische context in Suriname:
In het dorp op voormalig plantage Reijnsdorp verbouwt een oudere dame (78 jaar) ketan ireng , een cultivar van rijst met zwarte korrels. Vroeger gebruikte men deze rijst veelvuldig als voedsel en voor ceremonies (bv. trouwerijen). De enige oudere Javaanse dame die deze rijstvariëteit nog verbouwt vertelde:
"Mijn voorouders, de eerste generatie arbeidsmigranten in Suriname brachten deze rijst mee uit Java. In voormalig Nederlands Indië produceerde men voor de contracttijd deze rijst op commerciële wijze.
Vroeger plantte men deze variëteit veel in Suriname, maar momenteel niet meer. Ik en mijn nicht zijn als enige mensen nu nog bezig met het planten, oogsten en prepareren van de rijst. Elke keer als mijn familie uit de stad me belt, vragen ze me: “en, is het al tijd om te stoppen?” ze vinden dat ik op mijn leeftijd niet zulk zwaar werk moet doen. Echter, het planten van de rijst geeft Javanen een gevoel van rust. Het verbindt me met mijn cultuur, mijn religie, de natuur en mijn voorouders.
Veel rituelen zijn al verloren gegaan, zoals de dag om het planten te beginnen, zelfs het tijdstip, en ook het moment van de eerste oogst. Ik doe dit al sinds mijn 10e. Mijn moeder en vader leerden me hoe de rijst te verbouwen. Ik doe het nog steeds graag. Dit is een stukje van mijn cultuur dat ik wil behouden. Rijst is een basisgewas, een gift van God. Wanneer je de zegen van de heer hebt, geven je veldjes veel mooie rijst.
Vroeger had ik veel meer velden, wel tien keer zoveel. Nu heb ik wanneer ik een goede oogst heb ongeveer 100 kilo. Momenteel is de productie op plantage Reijnsdorp alleen genoeg voor op hier. Vroeger had ik genoeg voor plantage Alliance en zelfs om bij een goede oogst ook rijst in Paramaribo te verkopen. Mijn nichtje [46 jaar] hier op Reijnsdorp is de enige die de rijst ook nog weet te verbouwen.
Wist je trouwens dat vrouwen veel sneller zijn met zowel planten als oogsten? Het is werk dat behendigheid vraagt en secuur gedaan moet worden." besluit ze met een knipoog.

Een oudere Javaanse meneer (70 jaar) op plantage Alliance vertelde:" Toen ik klein was, verbouwde men hier op Alliance deze kleefrijst nog wel, maar nu helemaal niet meer. Iedereen verbouwde vroeger op een eigen stuk grond wat rijst, op traditionele Javaanse wijze. De staat bouwde indertijd kleine pellerijen, één hier op Alliance, één op Constancia en één op plantage Reijnsdorp. Deze pellerijen gingen echter allemaal stuk en nooit meer gerepareerd. Hierdoor werd het voor veel mensen te veel werk om nog de rijst te verbouwen en zo liep het gebruik terug."
Wellicht dat binnenkort deze rijst, nu nog relict, helemaal verdwenen zal zijn.
Verbouw, oogst en prepareren van Ketan ireng:
1) Een veld prepareren door onkruid weg te halen, te egaliseren en de grond zeer vochtig te maken. Vervolgens rijstkorrels (van bijvoorbeeld de eerdere oogst) inzaaien en laten liggen aan het oppervlak
2) De rijst twee maanden laten groeien tot 'bibits' (Ja, jonge rijstplanten) opkomen.
3) De bibits overplanten naar een nat veld met minstens 10-15cm water, vervolgens de bibits nog vijf maanden laten groeien.
Na ongeveer zeven maanden in totaal is de rijst oogstklaar, wat te herkennen is aan dat de aren droog en hard worden. Tijdens elke stap dient men opkomend onkruid te verwijderden.
Verder gebruikt men een kleine hoeveelheid pesticiden uit Paramaribo, net als een beetje kunstmest. Vroeger gebruikte men hiervoor kippenmest en rundermest aangezien men op het erf vaak deze dieren had.
4) De stengels dient men boven het laatste blad af te snijden, waarna de aren een hele dag in de volle zon moeten drogen. De verwerking geschiedt geheel handmatig.
5) De rijst slaan met een stok om de korrels uit de omhulsels te krijgen (zie foto rechts: Mevrouw Ronowikromo poseert met haar stok).
Wanneer de rijst vrijwel rijp is, zijn vogels een ware plaag: ze kunnen binnen de kortste keren een heel veld leeghalen. Vogelverschrikkers werken maar beperkte tijd. Een andere plaag is de fjo-fjo vlieg (Sr).


Gerechten
De rijst kan in heleboel gerechten worden gebruikt (meer dan vijftig). Pap van gestampte korrels at men vroeger veel. Ook kende het meel veel gebruiken. Een paar gerechten zijn 'kemplang', een zoet gebakje met kokos, 'jenang', een soort pap, 'wajik', een vaste massa waarbij het meel met kokosmelk en suiker gekookt is, 'onde-onde', balletjes gemaakt van gestampt meel en 'tape'.
Mevrouw Marie Ronowikromo, die als een van de laatsten de ketan ieran verbouwt, met haar stok om de rijst uit de omhulsels te krijgen

Marie Ronowikromo met een rijstplant voor haar rijstveld.

Ghedang klutuk (Musa balbisiana) ‘De oneetbare banaan’

Longitudinale sectie van ghedan kloeto vrucht

Volksnaam: Ghedang klutuk (Ja)
Wetenschappelijke naam: Musa balbisiana
Groeivorm: Kruid (schijnboom)
Herkomst: Azië

In Suriname
Erfgoed type: Contractarbeider gewas
Huidig gebruik: Geen gevonden
Historisch gebruik: Onbekend
Overig: Gegeten door apen.
Openstaande vragen:
-Hoe kwam ghedang klutuk in Suriname?
-Wanneer kwam ghedang klutuk in Suriname?

-
Historische context in Suriname:
In het verlaten gedeelte van het dorp op plantage Reijnsdorp groeien grote hoge bananenplanten. Deze banaan, door de lokale Javaanse gemeenschap Ghedang klutuk genoemd, is één van de voorouders van de gecultiveerde banaan: een wilde banaan met harde zaden.
Deze banaan komt niet voor op de checklist van de Guianas en is in 2012 voor het eerst in Suriname gevonden!
Hoe kwam deze wilde voorouder der bananen, die tegenwoordig vanwege zijn zaden als oneetbaar wordt beschouwd, terecht in Suriname? Helaas konden de eigenlijke eigenaren van de plant dit mysterie niet oplossen, omdat zij rond de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 plantage Reijnsdorp verlieten. Gezien de Aziatische origine en de late ‘ontdekking’ van de plant is het waarschijnlijk dat deze soort meekwam naar Suriname met Javaanse contractarbeiders. Dit komt mogelijk terug in een verhaal van een inwoner op de plantage: “Mijn grootvader vertelde mij dat toen hij de overtocht maakte vanuit Java met de Hollanders, ze verschillende levende planten in het schip meenamen, waaronder de koningsbanaan ‘ghedang raja’”. Wellicht dat een kleine plant, moeilijk te onderscheiden van de andere bananensoorten, daar als verstekeling meekwam, of wellicht dat de plant de overtocht als een zaad maakte.
Ghedan kloeto op het verlaten gedeelte van plantage Reijnsdorp

Ghedan kloeto vrucht en bloeiwijze