De veelzijdigheid van de banaan bij de Surinaamse Marrons

Door Minke Reijers, ethnobotanicus

In Suriname groeien niet alleen inheemse planten, maar ook Afrikaanse planten, zoals banaan, oker en sesam. Deze planten kwamen met de schepen die de slaafgemaakten vervoerden naar de Amerika’s en zijn daarna door de slaafgemaakten in hun tuinen verbouwd. Tijdens de vlucht van de Marrons zijn de planten meeverhuisd naar het binnenland. In de dorpen Moitaki (district Sipaliwini, aan de Tapanahoni) en Jawjaw (district Sipaliwini, aan de Suriname Rivier) groeien nog steeds Afrikaanse gewassen op de kostgronden van de Aukaners en Saramaccaners, waaronder vele bananen.
Wat kun je allemaal doen met een banaan? Het blijkt dat men in Nederland een nogal eenzijdig beeld heeft van wat er mogelijk is met een banaan, als je het vergelijkt met de Surinaamse Marrons. Eerst is het belangrijk om te zeggen dat een banaan niet gewoon een banaan is. Het onderzoeksteam waar ik onderdeel van uitmaakte trof in totaal 19 verschillende cultivars aan. Een cultivar is een door mensen gekweekte ondersoort binnen een soort. Verschillen tussen de bananen bananenplanten kunnen soms alleen door Marrons worden waargenomen. De gevonden bananenvruchten verschillen in vorm, kleur, smaak. Vaak worden deze bananen op verschillende manieren gebruikt.

3bananen

(*Klik op plaatjes om ze te vergroten*) Van links naar rechts de de Loweman baana (weglopersbanaan, foto: Tinde van Andel), de Ingi bakuba (indianen bacove, foto: Amber van der Velden), en de Sukuu finga bakuba (suikervinger bacove, foto: Amber van der Velden).

Diverse bananen, bijvoorbeeld de sukufinga bakuba en de ingi bakuba, kan je gewoon uit de hand opeten. Er zijn ook een heleboel bananen die je meestal niet zo uit de hand eet. Je kan ze koken (bori baana), bakken met bloem en olie (baka baana) en stampen (tonton baana). In de tonton baana is de cultivar suwa suwa baana trouwens erg lekker, deze smaakt een beetje zuur.
In Moitaki leerde Densasi Misidjan ons allerlei heerlijke bananenrecepten. Heriheri viel bij mij erg in de smaak. Hiervoor moet je bakbananen, zoete cassave en zoete patat in plakken snijden en bakken in olie. In de grote droge tijd (ongeveer van augustus tot november) komt daar ook nog vis bij, maar dat was op dat moment niet voorradig.

Densasiheriheri

Densasi is bezig met de heriheri: de zoete cassave, zoete patat en bakbananen worden gebakken. Foto: Minke Reijers.

Banaan kan je ook heel goed mixen met rijst en pinda. Op een andere dag hebben we twee andere recepten uitgeprobeerd, waarvoor je eerst in een vijzel rijst tot meel moest stampen. Daarbij werden geroosterde pinda’s gestampt en erna ook rijpe bananen, zodat er een dik, vloeibaar beslag ontstond. Dit beslag werd in een bananenblad gevouwen en dan kon je het zowel koken als roosteren. Gekookt wordt het een soort pudding en heet het bij de Aukaners baana afufu. Als je het roostert wordt het een soort harde koek en wordt het baana kuku of doku genoemd. Kokkin Densasi wist ook nog te vertellen dat er een ander gerecht wordt gemaakt dat ook baana afufu heet. Dit is een pindasoep met geroosterde banaan en zoete cassave erin.
In Jawjaw waren veel recepten die we in Moitaki gekookt hadden ook bekend, en we vonden ook weer nieuwe recepten. Zo hebben we baana apiti mogen proeven, een soep met balletjes van geraspte banaan. Lise Lenga maakte dit voor ons met kokosmelk, adjinomoto en knakworstjes uit de winkel. Het traditionele recept wordt met wild vlees of vis gemaakt, maar knakworstjes smaken er ook niet verkeerd bij.

baanaapiti

Baana apiti gemaakt door Lise uit Jawjaw en geraspte banaan voor in de baana apiti (Foto’s:Minke Reijers).

Verder hebben we hier ook baana chips gemaakt, die door heel Suriname en in Nederland verkrijgbaar zijn. Een ander recept wat we gemaakt hebben was fada een zoet gerecht met gestampte pinda, gestampte banaan en suiker. Om de verwarring te vergroten wordt dit ook wel eens baana afufu genoemd, net als de eerder genoemde soort pudding en de pindasoep met geroosterde banaan en zoete cassave erin.

Lisepindabanaan

Lise stampt pinda en banaan door elkaar voor de fada (baana afufu, foto: Tinde van Andel).

Bananen worden niet alleen voor eten gebruikt, ze kunnen ook een geneeskrachtige werking hebben. Van de schil van de bakuba (‘Cavendish’ cultivar) wordt een thee gezet die helpt tegen diarree. Ook wordt van verschillende bananencultivars de vrucht of de schil gebruikt in rituele baden. Dan was er nog een klein bananenboompje dat wataa mama bakuba (‘Dwerg Cavendish’ cultivar) heet en waarvoor de bladeren in rituele babybaden worden gebruikt om de baby te stimuleren eerder te gaan lopen (waka snel).

Ceciliawataamama

Cecilia bij haar wataa mama bakuba boom (Foto: Minke Reijers).

Op de vreedzaammarkt in Paramaribo komen vele Marrons hun waar uit het binnenland verkopen. Daar sprak ik een Saramaccaanse die de bloeiwijze van een uma baana verkocht. Het woord uma in het Sranan Tongo betekent vrouw. Zij leerde me dat het witte hart van de bloeiwijze werd gebruikt om de geboorte te vergemakkelijken. Hier zie je mooi een koppeling tussen de naam en het gebruik van een plant.
Zo zie je maar: een banaan is niet zomaar een banaan. Er worden veel verschillende cultivars gekweekt en deze worden voor verschillende doeleinden gebruikt. Het is niet alleen de smaak of vorm van de banaan die belangrijk is voor in gerechten. Terwijl sommige van deze bananen alleen geschikt zijn voor consumptie, hebben anderen ook rituele doeleinden.
Door geïsoleerde levenswijze van de Marrons (na hun vlucht van de plantages is er lange tijd nauwelijks contact met het kustgebied geweest), is veel van hun unieke cultuur behouden gebleven. In deze cultuur is ook de Afrikaanse oorsprong nog terug te vinden, bijvoorbeeld in de namen voor recepten. Het woord afufu, wat bij de Aukaners en Saramaccaners voor verschillende gerechten wordt gebruikt, komt ook in West-Afrika voor. In Ghana en Nigeria is fufu de naam van een dikke puree, gemaakt van banaan, maar het kan ook van yam of cassave. We hebben gehoord dat dit in Suriname ook gedaan wordt, maar we hebben het nooit gezien, weet iemand hier het recept van?
Ook het woord doku wordt in West-Afrika nog steeds gebruikt voor een gerecht. Het woord doku wordt in Ghana gebruikt voor een gerecht dat bestaat uit een deeg van gefermenteerde maïs, dat in een bananenblad wordt opgediend. Hier is te zien dat, hoewel soms in een andere betekenis, deze woorden zijn meegenomen uit Afrika.

Ik heb vast nog een heleboel Marron recepten met banaan erin niet genoemd. Zouden jullie in de reacties nog meer traditionele bananenrecepten (en foto’s) willen delen? En wie weet: de naam of het recept komt misschien wel oorspronkelijk uit Afrika!

 

 

volksnaam onbekend (Caesalpinia bonduc) ‘De oceaan over, als smokkelwaar of drijfzaad… of allebei?’

Volksnaam: onbekend
Wetenschappelijke naam: Caesalpinia bonduc
Groeivorm: Kruid
Herkomst: Afrika, Pantropisch?

In Suriname
Erfgoed type: Slaafgemaakten tuin
Huidig gebruik: Geen
Historisch gebruik: Medicinaal
Overig: Deze soort vormt drijfzaden en lijkt natuurlijk voor te komen op vele kusten wereldwijd.
Openstaande vragen:
- Hoe maakte 'bonduc' de Atlantische oversteek?
- Zijn er Marrons in het binnenland die deze zaden nog gebruiken?
- Kent de inheemse bevolking deze zaden en waarvoor gebruikt men hen?
- Worden de zaden nog voor rituele doeleinden gebruikt?
- Is een foto beschikbaar van de zaden in gebruik in Suriname?
Historische context in Suriname:
Drijfzaden van deze zeer stekelige plant komen via natuurlijke verspreiding voor op stranden over de hele wereld. Een enkeling van de oudere generatie in Suriname weet dat men zaden medicinaal gebruikt: bij kinderen met last van hun buik kan men een polsketting van zaden maken.
In Ghana gebruikt men de drijfzaden ook medicinaal, geregen in een ketting om het middel van een ziek kind, tegen huidaandoeningen. Ook gebruikt men in Ghana de zaden als speelstenen in een spel genaamd ‘agi’ (Ewe) of ‘aware’ (Twi) . Dit ‘agi’ spel bleek voor veel mensen in Suriname onbekend.
Iemand uit het marrondorp Dritabiki herkende het zaad wel. Volgens hem wordt het spel nog gespeeld door de ouderen, maar de jeugd kent het niet meer. Deze zaden zijn bekend, maar het spel wordt er niet meer mee gespeeld. Marrons blijken tegenwoordig andere zaden (van Ormosia spp.) te gebruiken om het ‘agi’ spel te spelen.
Hoewel het onduidelijk is of de plant op natuurlijke wijze als drijfzaad de Atlantische overtocht heeft gemaakt of dat mensen deze plant onbewust of bewust meenamen, bijvoorbeeld als sieraad of zaad met rituele betekenis, lijken Afrikaanse gebruiken nog steeds in Suriname aanwezig.

De bekende handelsgewassen van Suriname: niet het hele verhaal…

Door Karwan Fatah-Black, historicus aan de Universiteit Leiden

Koffie en suiker werden, naast katoen, cacao en indigo de succesvolle exportgewassen van Suriname. Zoals dankzij het BHS Project goed te zien is, kwamen er in het kielzog van de plantage-economie ook andere gewassen mee. Als we vanuit het heden naar het verleden kijken vallen ons vooral de succesverhalen op: de gewassen die een grote invloed hebben gehad op het landschap of die tot de dag van vandaag nog te vinden zijn. Maar dat is niet het hele verhaal.

Degenen die in Suriname arriveerden of plannen maakten om een plantage te stichten hadden suiker en koffie niet altijd als voornaamste landbouwgewassen voor ogen. Zo faalde rond 1630 een poging van een groep Engelsen om onder leiding van Marechal tabak te verbouwen in het gebied van de huidige Marshal Kreek. Het is één van de talloze voorbeelden van mislukte expedities. In dit artikel laat ik aan de hand van twee historische bronnen (één uit 1622 en één uit 1716) zien dat suiker en koffie niet vanaf het begin van de kolonie vanzelfsprekend de twee belangrijkste export producten van Suriname waren. De weg naar de plantage-economie is bezaaid met gewassen die het uiteindelijk niet hebben gehaald.

Ten eerste een pamflet van Willem Usselinx dat hij publiceerde in 1622. Usselinx was een inspirator voor het oprichten van de Westindische Compagnie, al wilde hij liever dat er kolonies in de Guiana’s kwamen dan in Brazilie. In dat pamflet ijvert Usselinx voor kolonisatie op de “Wilde Kust” (de Guiana’s). Het is een periode waarin vanuit de Republiek der Verenigde Nederlanden naar wegen wordt gezocht om de Spaanse tegenstander in het Atlantische gebied de pas af te snijden. Het idee is om een imperium (Groot Deseyn) op te zetten met forten op de kust van Afrika om in slaaf gemaakten te handelen, en plantages in Zuid Amerika om suiker te verbouwen. Of althans, uit de tekst van Usselinx blijkt dat hij niet alleen suiker voor ogen had. Usselinx wil vooral de Spanjaarden dwars zitten. Hij schrijft:

“Want als wij aldaer den Wijnstoc Olye en de Orangie Boomen met de Suycker Rieten etc. planten, sullen wy niet alleen uit Indien onslieve Nederlant maar ooc andere Provintien ende Rijcken met den schoonen zegen ende heerlijcke vruchten des West Indischen Canaans versorghen, tot grooten afbreuc van de Spaansche Trafijcque, daer op dan consequentelijck sal moeten volghen een duystere Eclipsis in des Konicks Comptoiren.”

titelblad_illustratie

 

Titelblad en illustratie uit het boek dat de directeuren van de Sociëteit van Suriname opstuurden om kennis over het verbouwen van koffie te verspreiden. Jean de la Roque, Voyage de l’Arabie heureuse par l’Océan oriental et le détroit de la mer Rouge. Amsterdam: Steenhouwer & Uytwerf, 1716

Het plan om druiven te verbouwen en wijn te produceren zou een symbolische opmerking kunnen zijn, verwijzend naar rijkdom en overvloed. Maar het idee dat er in de Guiana’s druiven verbouwd zouden kunnen (en moeten) worden leeft een eeuw later nog, nota bene bij een groep mensen die al lange tijd in de kolonie leven en werken. In 1716 publiceert een groep belanghebbenden, voornamelijk planters, een pamflet waarin ze wegen suggereren om de kolonie tot een groter commercieel succes te maken.

De geregelde aanvoer van slaaf gemaakten, militaire bescherming en minder handelsbeperkingen voor de kolonisten vormen de kern van hun ideeën. Ze suggereren dat degene die niet genoeg startkapitaal hebben om suiker te verbouwen vee zouden kunnen gaan fokken, of katoen, cacao, orleaan of rijst zouden kunnen gaan planten. Ze suggereren ook om druiven te kweken, in navolging van de volgens hun succesvolle productie van wijn in het naburige Cayenne. Ook schrijven de plantage- en eigenaren van slaaf gemaakten dat koffie en olijven zijn geplant, maar dat de resultaten van deze experimenten nog niet duidelijk zijn. Verder suggereren ze het verbouwen van saffraan, vlas, hennep en ook moerbei voor de zijderups.

De eerste koffiebonen zijn rond 1712 al in de kolonie aangekomen, en om de vier a vijf jaar stijgt de spanning als er weer een nieuwe generatie boompjes de vruchtdragende leeftijd bereikt. Koffie was een “boom product” en de snelle expansie van productie in Suriname zou in enkele decennia het aangezicht van de kolonie ingrijpend veranderen. Tot de opkomst van de koffieproductie hadden plantagedirecteuren hun geknechte slaaf gemaakten ingezet voor het verbouwen van suiker en het kappen van hout. Dit gebeurde veelal op de drogere zandgronden in de bovenloop van de Suriname, Commewijne en Cottica. Het verbouwen van koffie gebeurt dichter bij zee in de vette kleigrond, en zorgt voor stevige conflicten in Paramaribo waar mensen elkaar grond afhandig proberen te maken om koffieboompjes te planten.

De koffie hausse komt niet uit de lucht vallen, men was al langer druk opzoek naar gewassen die goed zouden gedijen naast de suikerproductie. Dat koffie dit succes werd eist een grote tol: mensen worden op nog grotere schaal tot slaaf gemaakt en tot werk gedwongen on de Surinaamse polder plantages. Het sterfteoverschot op de plantages was vooral in de het midden van de achttiende eeuw (tijdens de expansie van het plantage areaal) ontstellend hoog. De alternatieve wegen die de kolonisten voor ogen stonden zijn voer voor gedachtenexperimenten: wat als zijde het belangrijkste exportproduct van Suriname was geworden? Of wijn? Terugkijkend lijkt het absurd, maar het is wel degelijk het beeld dat men in de zeventiende en achttiende eeuw voor ogen stond.

Switi lemki (Triphasia trifolia) – ‘Hegplant: vroeger en nu?’


Volksnaam: Switi lemki (Sr) 'zoete lemmetje'
Wetenschappelijke naam: Triphasia trifolia
Groeivorm: Struik
Herkomst: Azië

In Suriname
Erfgoed type: Overgebleven structuur
Huidig gebruik: Hegplant, Cosmetica (nagellak van rijpe vruchten), Voedsel (aroma van rijpe vruchten)
Historisch gebruik: Hegplant?
Overig: Familie van de citrusvruchten, zoals sinaasappel en pompelmoes. Switi lemki vruchten max. 2cm groot
Openstaande vragen:
- Hoe is de Switi lemki in Suriname gekomen?
- Zijn de individuen te vinden op verlaten plantages oude historische individuen of heeft de soort - ondanks de herkomst van buiten Suriname - zich natuurlijk verjongt?

-
Historische context in Suriname:
Men gebruikt Switi lemki tegenwoordig voornamelijk als hegplant, bijvoorbeeld bij het presidentieel paleis in Paramaribo. Echter kan men de plant ook vinden op verlaten plantages bij de Warappakreek en het Matapica kanaal aan de kust. De bevolking van de omringende plantages wist te vertellen dat de plant veel voorkwam op oude dammen in het gebied en tussen cactushagen (zie: Zuilcactus - Cereus hexagonus), zoals op de verlate plantages Johanna Charlotte en Moed en Kommer. De lokale bevolking wist weinig over de herkomst van de plant en vermoedde een gebruik als hegplant in de plantageperiode. In de literatuur wordt nergens melding gemaakt van Switi lemki als plantage plant. De lokale bevolking ontdekte een relict van de plantage periode!
Na de Tweede Wereldoorlog gebruikten kinderen de rode vruchten van de plant om nagellak van te maken. Ook beschreef men een gebruik, o.a. bij koken, voor het aroma van de vruchten.

Loweman bakba (Musa x paradisiaca) ‘Banaan van de slaaf gemaakte’

Volksnaam: Loweman bakba (Sr) 'wegloper banaan', Ghedang kepo(k) (Ja)
Wetenschappelijke naam: Musa x paradisiaca
Groeivorm: Kruid (schijnboom)
Herkomst: Azië (via Afrika?)

In Suriname
Erfgoed type: Slaaf gemaakte tuin
Huidig gebruik: Vrucht als voedsel
Historisch gebruik: Vrucht als voedselbron bij vlucht van de plantage
Overig: -
Openstaande vragen:
- Hoe kwam de loweman bakba wild groeiend in het bos rondom plantage Reijnsdorp, aangezien deze banaan door middel van stekken vermeerderd moet worden?
- Is deze banaan via Afrika met slaaf gemaakten meegekomen, of was de banaan eerder al naar Suriname gehaald en is de plant in gebruik geraakt door slaaf gemaakten die waarschijnlijk het telen van bananen kende?

-
Historische context in Suriname:
De gecultiveerde banaan (Musa x paradisiaca) komt van origine uit Azië, maar bereikte al heel vroeg in de menselijke geschiedenis Afrika, waar men net als in Azië verschillende variëteiten ontwikkelde. Op plantage Reijnsdorp verbouwde de Javaanse gemeenschap een variëteit van banaan met vruchten met een hoekige en dikke schil. Men noemde de plant ‘loweman bakba’.
De oudere generatie vertelde: “Onze voorouders troffen deze plant aan wild groeiend in het bos. Zij namen hem mee naar het dorp en enkele nog aanwezige ex-slaaf gemaakten op de plantage vertelden hen dat dit de ‘loweman bakba’ was met een eigen bijzondere verhaal.
De slaaf gemaakten verbouwden deze banaan op de plantages en gebruikten hem als voedsel tijdens de vlucht van de plantages naar vrijheid”. De term ‘loweman’ verwijst naar de slaaf gemaakten die van de plantage wegvluchtten en ‘bak(u)ba’ is een term die men in sommige West-Afrikaanse landen gebruikt voor bananen.
De gemeenschap op plantage Reijnsdorp zag deze banaan als een ‘wilde’ banaan, maar deze banaan produceert geen vruchtbare zaden en vermeerdert men door middel van stekken. Hoe kwam de banaan ‘wild’ groeiend in het bos? Waren het wellicht overgebleven planten van oude tijdelijke Marronkampen die de eerste contractarbeiders in het bos aantroffen? Op deze vragen is tot op heden geen antwoord. Verdere informatie over de hedendaagse verspreiding van deze banaan was in een tuin in Paramaribo-West. Hier stond ook een ‘loweman bakba’. Hoe? De eigenaresse bleek de plant te hebben ontvangen van een vriend uit het Marrondorp Dritabiki, Sipalwini. Blijkbaar is de plant met zijn verhaal niet alleen overgenomen door de Javeense gemeenschap aan de kust, maar heeft de plant ook de tocht gemaakt met de vluchtende slaaf gemaakten het binnenland in en telen de afstammelingen van de ‘lowemans’ de plant nog! Dit is een mooi voorbeeld van de dynamiek van overdracht van plantengebruik tussen verschillende groepen.

Kakaw (Theobroma cacao) ‘Surinaams godenvoedsel als handelsgewas’

Theobroma cacao fruits

Volksnaam: Kakaw (Sr)
Wetenschappelijke naam: Theobroma cacao
Groeivorm: Kleine boom
Herkomst: Amazonegebied, Inheems

In Suriname
Erfgoed type: Handelsgewas
Huidig gebruik: Voedsel (zaden voor chocolade, vrucht soms gegeten)
Historisch gebruik: Handelsgewas, Voedsel
Overig: De naam Theobroma verwijst naar het oud Grieks 'godenspijs'.
Openstaande vragen:
-Welke variëteiten van cacao komen voor in Suriname?
-Welke variëteit is wanneer geïntroduceerd in Suriname?
-Waren er verschillen in gebruik(er) voor de verschillende variëteiten cacao?
-Hoe oud zijn de individuen op plantage Berg en Dal?
-Hoe snel verjongt het historische cacaoveld op plantage Montpellier?

-
Historische context in Suriname:
Het bos op de voormalig plantage Montpellier heeft veel weg van een normaal regenwoud. Echter bij het doorkruisen valt al gauw op dat er vele cacaobomen tussen de rest van het groen staan. Temidden van het teruggegroeide regenwoud staat een oud cacaoveld! De precieze ouderdom van het veld is moeilijk te achterhalen, al is bekend dat de plantage al meer dan anderhalve eeuw niet meer in gebruik is als productieplantage. Het voorkomen van zowel juvenielen als adulten doet vermoeden dat er regeneratie optreedt en dat het veld zichzelf in stand houdt. De bewoners wisten te vertellen dat de cacao variëteit er één is die men in de plantageperiode verbouwde, maar die nu verdrongen is door variëteiten met hogere opbrengst en een hogere kwaliteit zaden (waarvan men cacaoproducten maakt). Op plantage Berg en Dal werd eenzelfde variëteit aangetroffen.
Het cacaoveld op plantage Berlijn bleek een overblijfsel van beplanting na de Tweede Wereldoorlog. Dit overgebleven veld is slechts een herinnering aan een vorige eigenaar, die na een aantal slechte oogsten de grond verkocht. Momenteel zijn bijna de gehele plantage en de plantages eromheen in gebruik voor veeteelt en andere gewassen. De cacao variëteit die men daar gebruikte was een moderne gekweekte variëteit.
Ook de verlaten cacao- en koffievelden op plantage Peperpot dateren van slechts enkele decennia terug en betreft een moderne gekweekte variëteit. Niet elk overblijfsel van een cacaoveld verwijst dus naar de plantagetijd.
Suriname kent ook een inheemse cacao variëteit die diep in het binnenland voorkomt. Het is niet geheel duidelijk welke variëteiten cacao in Suriname voorkomen en welke wanneer geïntroduceerd is.

Kofi (Coffea liberica) ‘Afrikaans handelsgewas in Atlantische wereld’

Coffea liberica ripe fruits

Volksnaam: Kofi (Sr)
Wetenschappelijke naam: Coffea liberica
Groeivorm: Kleine boom
Herkomst: Afrika

In Suriname
Erfgoed type: Handelsgewas
Huidig gebruik: Voedsel (geroosterde zaden met water als drank)
Historisch gebruik: Voedsel (geroosterde zaden met water als drank)
Overig: Coffea liberica is beter bestand tegen sommige ziektes dan Coffea arabica de meest voorkomende koffie soort, maar de opbrengst is lager. De koffie bessen zijn 1,5-3cm groot en rood wanneer rijp.
Openstaande vragen:
-Hoe oud zijn de veldjes koffie die men nog op sommige verlaten plantages kan vinden?
-
Historische context in Suriname:
Coffea liberica kwam pas rond begin 19e eeuw in Suriname aan.
Eerder waren Coffea arabica planten met succes geplant, maar door opkomende plagen, begon met met de liberica binnen te halen. Op plantage Peperpot staan nog slecht onderhouden velden koffie, onder de oorspronkelijke aanplant van schaduwbomen (zie ook Kofimama). De koffiefabriek doet nu dienst als ecotoerisme locatie.
Planters maakten koffie zoals men het tegenwoordig kent. Afrikaanse slaafgemaakten aten juist de rijpe vruchten.
Momenteel kweekt men op sommige plekken koffie nog op kleine schaal voor eigen gebruik.

Tamalin (Tamarindus indica) ‘De boom die niet uit de Indiën kwam… of wel?’

Tamarindus indica ripe pods

Volksnaam: Tamalin (Sr), Asem (Ja)
Wetenschappelijke naam: Tamarindus indica
Groeivorm: Boom
Herkomst: Afrika

In Suriname
Erfgoed type: Overgebleven structuur
Huidig gebruik: Voedsel (zaadpulp)
Historisch gebruik: Laan boom, Voedsel (zaadpulp), Takken gebruikt als zweep om slaaf gemaakten te slaan
Overig: De boom vond al vroeg in de menselijke geschiedenis zijn weg uit Oost-Afrika naar India en de rest van Azië. Vroege Europese botanici zagen de boom daarom voor lokale plant aan en gaven hem foutief de naam ‘indica’
Openstaande vragen:
-Wat illustreert het kappen van de tamalin laan op de plantage Alliance? Hecht men in Suriname genoeg waarde aan botanisch erfgoed?
-Hoe zit het met de waarde van erfgoed in het algemeen?
-Is tamalin via Afrika naar Suriname gekomen, of zijn zaden of planten gehaald uit Azië?
-Is de tamalin boom op plantage Johanna Charlotte ook een restant van een oude laan?

-
Historische context in Suriname:
De tamarindeboom komt anders dan de wetenschappelijke naam Tamarindus indica doet vermoeden niet uit India, maar uit tropisch Afrika. De tamarindeboom bevond zich op de Surinaamse plantages vaak in een laan in de richting van het huis van de planter. Geliefd waren vooral de vruchten ‘die van een heilzaame verkoelende kracht zyn, in alle heete ziektes de mond verfrisschende en de buik zuiverende’, aldus Jan Jacob Hartsinck (1770). Slaaf gemaakten gebruikten de plant op eenzelfde manier.
Vele Surinamers wisten te vertellen dat takken van tamalin in de koloniale tijd gebruikt werden als zweep om slaaf gemaakten te slaan. Deze kennis was zowel bekend bij de Boslandcreolen, de Creoolse-, Hindoestaanse- en Javaanse Surinamers.
Op de voormalig plantage Alliance staat een deel van zo een tamarindelaan nog steeds in het dorp. Dit restant beperkt zich tot een zijde van het pad, doordat een aantal decennia terug de eeuwenoude bomen aan de andere kant moesten wijken voor een loods. Een stuk onvervangbaar erfgoed is hiermee voor altijd verloren gegaan.
Op de verlaten plantage Johanna Charlotte bevindt zich een enkele tamarindeboom. Deze boom, bijna zonder overgebleven loof, heeft het duidelijk moeilijk in de zilte omstandigheden en groeit temidden van de lage bodembedekkende vetplanten! Het is zeer uitzonderlijk dat de boom deze omstandigheden tot nog toe heeft weten te overleven. Het is zeer goed mogelijk dat in de nabije toekomst dit individu ten onder gaat en daarmee een stukje levende geschiedenis in Suriname afsterft.

Manja (Mangifera indica) ‘Plantageplant voor iedereen’

Manja op plantage Berg en Dal

Volksnaam: Manja (Sr)
Wetenschappelijke naam: Mangifera indica
Groeivorm: Boom
Herkomst: Azië

In Suriname
Erfgoed type: Contractarbeider gewas, Slaaf gemaakten tuin, Plantageplanter gewas
Huidig gebruik: Voedsel (vruchten)
Historisch gebruik: Voedsel (vruchten)
Overig:
Openstaande vragen:
-Welke manja cultivars groeien in Suriname?
-Welke manja cultivar is wanneer in Suriname gekomen?
-Wie bracht welk manja cultivar naar Suriname?
-Zijn de bomen bij plantage Berg en Dal de oudste manja bomen in Suriname?
-Is de omtrek van de stam een goede maat voor de ouderdom van manja?

-
Historische context in Suriname:
De manja komt oorspronkelijk uit Azië, waar men de boom al millennia cultiveert. Rond de 10e eeuw (CE) begon cultivatie ook in Afrika. In Suriname is manja ook al eeuwen te vinden. Beschrijvingen van de plant vindt men al in de 18e eeuw.
Men kan vele cultivars onderscheiden, waarvan een aantal in Suriname voorkomen. Het is onduidelijk welke manja cultivar wanneer, via welk continent en door wie naar Suriname zijn gebracht. Relatief recent zijn via de contractarbeiders nieuwe cultivars het land binnengekomen.
De manja is zeer populair als vrucht en men vindt de plant dan ook overal, in Paramaribo en op de voormalige plantages. Op plantage Berg en Dal staat een aantal reusachtige manja bomen met dikke stammen en een aan de buitenlucht blootgesteld omvangrijk worteldek. Op het oog zien de individuen met hun bijna vijf meter omtrek eruit alsof ze er al een paar eeuwen staan (zie foto); wellicht zijn dit zelfs wel de dikste mangobomen aangetroffen in Suriname. Deze reuzen staan tussen de originele woningen van de planter en slaaf gemaakten. Een informant beaamde de ouderdom en noemde de erosie bij het daardoor blootliggende worteldek een indicatie daarvan.
Toch zegt de hoogte van een boom niet alles. Op plantage Reijnsdorp staat ook een hoge mangoboom (met drie en een halve meter omtrek). De jongere generatie daar noemde de boom ‘eeuwenoud’. Echter, bij navraag bij de oudere generatie bleek dat de boom nog in hun jeugd was aangeplant en ‘slechts’ 80 jaar oud was. Andere informanten noemden dat manja bomen die jong zijn toch snel oud kunnen lijken door hun grootte.

Daalder (Phoenix reclinata) ‘De dadel die succesvol de oceaan overstak’

Daalder adult op plantage ReijnsdorpDaalder lokaties kuststreek in Suriname
Volksnaam: Daalder (Sr), Khedjoer (Hin)
Wetenschappelijke naam: Phoenix reclinata
Groeivorm: Palm
Herkomst: Afrika

In Suriname
Erfgoed type: Slaaf gemaakten tuin
Huidig gebruik: Geen
Historisch gebruik: Voedsel (vruchten)?
Overig: De palm vormt clusters.
Openstaande vragen:
-Hoe kwam daalder in Suriname aan, was het als proviand, als (gesmokkeld of per ongeluk?) zaad of als plant?
-Wanneer kwam daalder in Suriname aan?
-Waardoor groeit daalder niet meer veelvuldig langs de Suriname rivier?

-
Historische context in Suriname:
Bij het varen over de Commewijne rivier en sommige kreken doemen overal clusters van een verwilderd uitziende palm op. Deze dadelpalm noemt men in de Surinaamse kuststreek ‘daalder’, maar buiten Suriname kent men deze plant onder de naam Senegalese dadelpalm. De plant komt oorspronkelijk uit West-Afrika! Wat doet een Afrikaanse dadelpalm wijdverspreid in het Surinaamse kustgebied? De palm maakte waarschijnlijk in de vorm van dadels als voedsel voor slaaf gemaakten, die bekend waren met de palm, of in de vorm van een paar verstrooide pitten de oversteek naar Suriname.
Juvenielen en adulten van de palm zijn talrijk en de palm is wijdverspreid in het Surinaamse kustgebied. Een verklaring voor het succes van de palm ligt in de vergelijkbare natte en zilte omgeving waarin de palm voorkomt in Afrika.
De Zweedse botanicus Daniel Rolander, op ontdekkingstocht in Suriname van 1755-1756 en op ontdekkingstocht over de Commewijne rivier, noemt een dadelpalm in zijn dagboek. Waarschijnlijk gaat dat om Phoenix reclinata (hij was zich niet bewust van de Afrikaanse origine van de plant). Dit betekent dat deze plant al vroeg in Suriname terecht kwam. Meer dan 200 jaar na Rolander, wordt de palm genoemd in het door Ostendorf aangepaste standaardwerk van Stahel Nuttige planten en Siergewassen van Suriname , dit keer met aantekening van de Afrikaanse origine. Hierin staat beschreven dat de palm veelvuldig voorkomt langs de Suriname rivier. Momenteel, weer 50 jaar later, blijkt de palm nog steeds veel aanwezig, hoewel niet aan de Suriname rivier. Wellicht dat de afnemende brakke condities verder landinwaarts dit verklaren.
In Suriname kent men nauwelijks gebruiken van deze palm. Kinderen eten soms de vruchten (1-2cm). Op plantage Reijnsdorp vertelde men dat de vruchten een nacht in water laten liggen het rijpingsproces kan versnellen. Gezien de vele gebruiken van de palm in Afrika, blijkt veel kennis over deze soort verloren in Suriname.
Lokale bewoners wisten zelden over de Afrikaanse origine van de palm en de connectie met de slavernijgeschiedenis. De Marron in Nieuw Lombé kennen de plant niet en ter hoogte van Nieuw Lombé en plantage Berg en Dal lijkt de palm niet voor te komen.