De veelzijdigheid van de banaan bij de Surinaamse Marrons

Door Minke Reijers, ethnobotanicus

In Suriname groeien niet alleen inheemse planten, maar ook Afrikaanse planten, zoals banaan, oker en sesam. Deze planten kwamen met de schepen die de slaafgemaakten vervoerden naar de Amerika’s en zijn daarna door de slaafgemaakten in hun tuinen verbouwd. Tijdens de vlucht van de Marrons zijn de planten meeverhuisd naar het binnenland. In de dorpen Moitaki (district Sipaliwini, aan de Tapanahoni) en Jawjaw (district Sipaliwini, aan de Suriname Rivier) groeien nog steeds Afrikaanse gewassen op de kostgronden van de Aukaners en Saramaccaners, waaronder vele bananen.
Wat kun je allemaal doen met een banaan? Het blijkt dat men in Nederland een nogal eenzijdig beeld heeft van wat er mogelijk is met een banaan, als je het vergelijkt met de Surinaamse Marrons. Eerst is het belangrijk om te zeggen dat een banaan niet gewoon een banaan is. Het onderzoeksteam waar ik onderdeel van uitmaakte trof in totaal 19 verschillende cultivars aan. Een cultivar is een door mensen gekweekte ondersoort binnen een soort. Verschillen tussen de bananen bananenplanten kunnen soms alleen door Marrons worden waargenomen. De gevonden bananenvruchten verschillen in vorm, kleur, smaak. Vaak worden deze bananen op verschillende manieren gebruikt.

3bananen

(*Klik op plaatjes om ze te vergroten*) Van links naar rechts de de Loweman baana (weglopersbanaan, foto: Tinde van Andel), de Ingi bakuba (indianen bacove, foto: Amber van der Velden), en de Sukuu finga bakuba (suikervinger bacove, foto: Amber van der Velden).

Diverse bananen, bijvoorbeeld de sukufinga bakuba en de ingi bakuba, kan je gewoon uit de hand opeten. Er zijn ook een heleboel bananen die je meestal niet zo uit de hand eet. Je kan ze koken (bori baana), bakken met bloem en olie (baka baana) en stampen (tonton baana). In de tonton baana is de cultivar suwa suwa baana trouwens erg lekker, deze smaakt een beetje zuur.
In Moitaki leerde Densasi Misidjan ons allerlei heerlijke bananenrecepten. Heriheri viel bij mij erg in de smaak. Hiervoor moet je bakbananen, zoete cassave en zoete patat in plakken snijden en bakken in olie. In de grote droge tijd (ongeveer van augustus tot november) komt daar ook nog vis bij, maar dat was op dat moment niet voorradig.

Densasiheriheri

Densasi is bezig met de heriheri: de zoete cassave, zoete patat en bakbananen worden gebakken. Foto: Minke Reijers.

Banaan kan je ook heel goed mixen met rijst en pinda. Op een andere dag hebben we twee andere recepten uitgeprobeerd, waarvoor je eerst in een vijzel rijst tot meel moest stampen. Daarbij werden geroosterde pinda’s gestampt en erna ook rijpe bananen, zodat er een dik, vloeibaar beslag ontstond. Dit beslag werd in een bananenblad gevouwen en dan kon je het zowel koken als roosteren. Gekookt wordt het een soort pudding en heet het bij de Aukaners baana afufu. Als je het roostert wordt het een soort harde koek en wordt het baana kuku of doku genoemd. Kokkin Densasi wist ook nog te vertellen dat er een ander gerecht wordt gemaakt dat ook baana afufu heet. Dit is een pindasoep met geroosterde banaan en zoete cassave erin.
In Jawjaw waren veel recepten die we in Moitaki gekookt hadden ook bekend, en we vonden ook weer nieuwe recepten. Zo hebben we baana apiti mogen proeven, een soep met balletjes van geraspte banaan. Lise Lenga maakte dit voor ons met kokosmelk, adjinomoto en knakworstjes uit de winkel. Het traditionele recept wordt met wild vlees of vis gemaakt, maar knakworstjes smaken er ook niet verkeerd bij.

baanaapiti

Baana apiti gemaakt door Lise uit Jawjaw en geraspte banaan voor in de baana apiti (Foto’s:Minke Reijers).

Verder hebben we hier ook baana chips gemaakt, die door heel Suriname en in Nederland verkrijgbaar zijn. Een ander recept wat we gemaakt hebben was fada een zoet gerecht met gestampte pinda, gestampte banaan en suiker. Om de verwarring te vergroten wordt dit ook wel eens baana afufu genoemd, net als de eerder genoemde soort pudding en de pindasoep met geroosterde banaan en zoete cassave erin.

Lisepindabanaan

Lise stampt pinda en banaan door elkaar voor de fada (baana afufu, foto: Tinde van Andel).

Bananen worden niet alleen voor eten gebruikt, ze kunnen ook een geneeskrachtige werking hebben. Van de schil van de bakuba (‘Cavendish’ cultivar) wordt een thee gezet die helpt tegen diarree. Ook wordt van verschillende bananencultivars de vrucht of de schil gebruikt in rituele baden. Dan was er nog een klein bananenboompje dat wataa mama bakuba (‘Dwerg Cavendish’ cultivar) heet en waarvoor de bladeren in rituele babybaden worden gebruikt om de baby te stimuleren eerder te gaan lopen (waka snel).

Ceciliawataamama

Cecilia bij haar wataa mama bakuba boom (Foto: Minke Reijers).

Op de vreedzaammarkt in Paramaribo komen vele Marrons hun waar uit het binnenland verkopen. Daar sprak ik een Saramaccaanse die de bloeiwijze van een uma baana verkocht. Het woord uma in het Sranan Tongo betekent vrouw. Zij leerde me dat het witte hart van de bloeiwijze werd gebruikt om de geboorte te vergemakkelijken. Hier zie je mooi een koppeling tussen de naam en het gebruik van een plant.
Zo zie je maar: een banaan is niet zomaar een banaan. Er worden veel verschillende cultivars gekweekt en deze worden voor verschillende doeleinden gebruikt. Het is niet alleen de smaak of vorm van de banaan die belangrijk is voor in gerechten. Terwijl sommige van deze bananen alleen geschikt zijn voor consumptie, hebben anderen ook rituele doeleinden.
Door geïsoleerde levenswijze van de Marrons (na hun vlucht van de plantages is er lange tijd nauwelijks contact met het kustgebied geweest), is veel van hun unieke cultuur behouden gebleven. In deze cultuur is ook de Afrikaanse oorsprong nog terug te vinden, bijvoorbeeld in de namen voor recepten. Het woord afufu, wat bij de Aukaners en Saramaccaners voor verschillende gerechten wordt gebruikt, komt ook in West-Afrika voor. In Ghana en Nigeria is fufu de naam van een dikke puree, gemaakt van banaan, maar het kan ook van yam of cassave. We hebben gehoord dat dit in Suriname ook gedaan wordt, maar we hebben het nooit gezien, weet iemand hier het recept van?
Ook het woord doku wordt in West-Afrika nog steeds gebruikt voor een gerecht. Het woord doku wordt in Ghana gebruikt voor een gerecht dat bestaat uit een deeg van gefermenteerde maïs, dat in een bananenblad wordt opgediend. Hier is te zien dat, hoewel soms in een andere betekenis, deze woorden zijn meegenomen uit Afrika.

Ik heb vast nog een heleboel Marron recepten met banaan erin niet genoemd. Zouden jullie in de reacties nog meer traditionele bananenrecepten (en foto’s) willen delen? En wie weet: de naam of het recept komt misschien wel oorspronkelijk uit Afrika!

 

 

volksnaam onbekend (Caesalpinia bonduc) ‘De oceaan over, als smokkelwaar of drijfzaad… of allebei?’

Volksnaam: onbekend
Wetenschappelijke naam: Caesalpinia bonduc
Groeivorm: Kruid
Herkomst: Afrika, Pantropisch?

In Suriname
Erfgoed type: Slaafgemaakten tuin
Huidig gebruik: Geen
Historisch gebruik: Medicinaal
Overig: Deze soort vormt drijfzaden en lijkt natuurlijk voor te komen op vele kusten wereldwijd.
Openstaande vragen:
- Hoe maakte 'bonduc' de Atlantische oversteek?
- Zijn er Marrons in het binnenland die deze zaden nog gebruiken?
- Kent de inheemse bevolking deze zaden en waarvoor gebruikt men hen?
- Worden de zaden nog voor rituele doeleinden gebruikt?
- Is een foto beschikbaar van de zaden in gebruik in Suriname?
Historische context in Suriname:
Drijfzaden van deze zeer stekelige plant komen via natuurlijke verspreiding voor op stranden over de hele wereld. Een enkeling van de oudere generatie in Suriname weet dat men zaden medicinaal gebruikt: bij kinderen met last van hun buik kan men een polsketting van zaden maken.
In Ghana gebruikt men de drijfzaden ook medicinaal, geregen in een ketting om het middel van een ziek kind, tegen huidaandoeningen. Ook gebruikt men in Ghana de zaden als speelstenen in een spel genaamd ‘agi’ (Ewe) of ‘aware’ (Twi) . Dit ‘agi’ spel bleek voor veel mensen in Suriname onbekend.
Iemand uit het marrondorp Dritabiki herkende het zaad wel. Volgens hem wordt het spel nog gespeeld door de ouderen, maar de jeugd kent het niet meer. Deze zaden zijn bekend, maar het spel wordt er niet meer mee gespeeld. Marrons blijken tegenwoordig andere zaden (van Ormosia spp.) te gebruiken om het ‘agi’ spel te spelen.
Hoewel het onduidelijk is of de plant op natuurlijke wijze als drijfzaad de Atlantische overtocht heeft gemaakt of dat mensen deze plant onbewust of bewust meenamen, bijvoorbeeld als sieraad of zaad met rituele betekenis, lijken Afrikaanse gebruiken nog steeds in Suriname aanwezig.

Op zoek naar de weglopersbanaan

Door Tinde van Andel, etnobotanicus bij Naturalis Biodiversity Center, Leiden

Tijdens de trans-Atlantische slavenhandel deden een aantal Afrikaanse voedselgewassen hun intrede in Suriname. Sesamzaad, bakbananen, oker, sopropo en de Afrikaanse oliepalm werden als voedsel in West Afrika ingescheept, maar sommige zaden en stekjes kwamen ongeschonden de oceaan over. Slaven smokkelden ze uit de scheepsruimen en teelden de gewassen voor eigen consumptie op hun kleine kostgrondjes achter de plantages. Toen de Marrons in de 18e eeuw de plantages ontvluchtten, namen ze zaden en stekjes mee het binnenland in. Diep in het regenwoud maakten ze nieuwe kostgrondjes. Nu de meeste plantages in het Surinaamse kustgebied zijn verlaten, zijn Marrons vaak de enige die deze “vergeten Afrikaanse groenten” nog verbouwen. Zoals bijvoorbeeld de weglopersbanaan.

lise (Small)Lise, een Saramaccaanse boerin uit Jawjaw op haar kostgrondje. Op de achtergrond een bananenboom. Foto: Minke Reijers

Nazaten van Javaanse en Hindostaanse contractarbeiders ontdekten een vreemd soort bakbanaan in het bos rond de verlaten plantage Reijnsburg in Commewijne. Ouderen in het dorp Bakkie herkenden de vrucht als een lowe man bana, oftewel een ‘weglopersbanaan’. Volgens hen werd dit type bakbanaan vroeger gekweekt door slaven die de plantage waren ontvlucht en zich ophielden in de bossen rondom Reijnsburg.

Voor zijn afstudeeronderzoek naar botanische plantagerelicten maakte de Amsterdamse student Thiëmo Heilbron een herbariumcollectie van deze dikke, hoekige banaan en stuurde die naar Finland. Bananenspecialist Markku Häkkinen identificeerde de plant als Musa x paradisiaca L. triploid ABB (1x M. acuminata, 2 x M. balbisiana), ook wel bekend als het “bluggoe type”. Dit soort bakbananen zijn eeuwen geleden in Centraal Afrika als eerste gedomesticeerd uit wilde en gekweekte zoete bananen. Sommige weglopersbananen uit Bakkie hebben zelfs nog een paar keiharde, zwarte zaden!

amriet (Small)Amried Doebar kweekt nu zelf weglopersbananen in Bakkie, Commewijne. Hij verkoopt ze aan toeristen die de Warappakreek bezoeken. Ook Surinaamse toeristen hebben vaak nog nooit van deze lowé man bana gehoord! Foto: Christiaan van der Hoeven

In 2013 vertrok een etnobotanisch onderzoeksteam, bestaande uit de Wageningse studenten Minke Reijers en Amber van der Velden, de Leidse student Tessa Vossen en mijzelf naar het binnenland van Suriname. We gingen op zoek naar “vergeten Afrikaanse groenten” op de kostgrondjes van de Marrons. In de dorpen Mooytaki (Tapanahoni) en Jawjaw (Boven Suriname) vonden we niet minder dan 19 verschillende bananencultivars! We maakten botanische collecties, documenteerden lokale Aucaanse en Saramaccaanse namen, beschreven de bladeren, bloemen en vruchten van de bananenbomen en kregen zelfs kookles. Recepten van de traditionele Marrongerechten met bakbanaan, zoals dokun en bana afufu zijn terug te vinden op ons blog http://bushblogsuriname.wordpress.com

Met behulp van de bananenspecialisten in Finland hebben we geprobeerd om wetenschappelijke namen voor de binnenlandbananen te vinden. Dat was geen sinecure!

sipi (Small)De sipi bana ‘scheepsbanaan’ is een zoet banaantje aan een klein boompje. De trossen hangen soms tot op de grond. Is dit een dwarf Cavendish?
Foto: Minke Reijers

Opmerkelijk was dat geen van de door ons geïnterviewde Marrons ooit van de weglopersbanaan had gehoord. Ze kweekten wel diverse dikke, hoekige bananen van het ‘bluggoe type’, zoals bijvoorbeeld de aponto. Dit woord lijkt op de term apantu, in 1998 door Gerda Rossel gedocumenteerd voor een zeer grote, groene bakbanaan in Ghana. De Surinaamse aponto is echter kort, driehoekig en oranjerood als hij rijp is.

oponto (Small)De aponto bana, ook wel bekend als apantakëe. De laatste naam betekent “schrikken en huilen” in de Saramaccaanse taal. De Aucaners kennen hem as patankele. We zijn er niet achtergekomen waarom de banaan zo heet. Hij is lekker stevig, heeft wit vruchtvlees en vertoont opvallende gelijkenissen met de weglopersbanaan. Foto: Minke Reijers

Dit is een klein zoet banaantje dat door de Saramaccaners toto bana wordt genoemd. Ze eten niet alleen de vrucht, maar ook de bladeren worden gebruikt. Die drogen ze en trekken er dan een thee van tegen hoge bloeddruk. De gedroogde bladeren worden ook verwerkt in compressen die op gebroken ledematen worden gelegd om deze te genezen. Ook dienen de droge toto bana bladeren als ingrediënt voor spirituele kruidenbaden.

Helaas zijn we nooit een rijpe toto bana tegengekomen. De dorpelingen in Jawjaw vertelden dat de banaan zwart werd, maar we begrepen niet of ze hiermee de donkere kleur van de stam bedoelden of dat de vrucht zelf donkerrood werd bij rijping. Ook hebben we nog geen wetenschappelijke naam aan deze banaan kunnen plakken.
Wie kent de kleur van een rijpe toto bana? Het woord toto komt uit Gabon, daar betekent het ‘banaan’.

De Surinaamse Marrons, nazaten van de ‘weglopers’ uit de 18e eeuw, kweken dus niet één, maar een heleboel exotische bananen! De wetenschappelijke identiteit van de verschillende bananencultivars mag dan nog steeds niet met zekerheid vastgesteld zijn, het is duidelijk dat deze bananen een belangrijke rol spelen in de culinaire, medicinale en spirituele cultuur van de Marrons.

toto (Small)Toto bana, onrijpe vrucht. Foto: Minke Reijers

Meer informatie over dit project:
http://bushblogsuriname.wordpress.com
http://osodresie.wikispaces.com/Home
https://science.naturalis.nl/en/people/scientists/tinde-van-andel/

Kus(u)wé (Bixa orellana) – ‘Medicinale plant, handelsgewas en sierplant’


Volksnaam: Kus(u)wé (Sr)
Wetenschappelijke naam: Bixa orellana
Groeivorm: Struik, Kleine boom
Herkomst: Inheems

In Suriname
Erfgoed type: Inheemsen, Plantagegewas, Slaaf gemaakten tuin?, Planters tuin?
Huidig gebruik: Sierplant, Medicinaal (insect werend)
Historisch gebruik: Medicinaal en Kleurstof, Plantagegewas
Overig: De zaden in de vrucht zijn omgeven door een stof (anatto) die verwerkt kan worden tot rode en gele kleurstof
Openstaande vragen:
- Zijn de individuen te vinden op verlaten plantages aan de kust oude historische individuen of heeft de plant zich natuurlijk verspreidt na de ondergang van de plantages?
-(subvraag) Welke plantages in Suriname verbouwden Kus(u)wé?
-Wat kleurde men met Surinaamse anatto?

-
Historische context in Suriname:
De inheemsen van Suriname gebruikten Kus(u)wé om de insectenwerende eigenschappen. Later werd dit plantgebruik overgenomen door slaaf gemaakte Afrikanen. Europese planters zagen de plant als handelsgewas en verbouwden het gewas op de plantages omwille van de rode kleurstof (anatto). Vandaag gebruikt men in stedelijke gebieden de plant om huisdieren, zoals honden, een bad te geven tegen vlooien en teken.

Ingisopo (Furcraea foetida) ‘Van inheemsenzeep tot wasrek’


Volksnaam: Ingisopo (Sr) 'indianenzeep'
Wetenschappelijke naam: Furcraea foetida
Groeivorm: Kruid
Herkomst: Inheems

In Suriname
Erfgoed type: Inheemsen?, Slaaf gemaakten tuin?
Huidig gebruik: Wasrek (kleding drogen in de zon), Sierplant, Functioneel gewas (vezels)
Historisch gebruik: Medicinaal (ontsmettingsmiddel), Farmaceutisch (zeep - vlezig blad vermorzelen)
Overig:
Openstaande vragen:
-Van wanneer dateert het ingisopo veld bij plantage Anna's Zorg?
-
Historische context in Suriname:
Ingisopo is een inheemse plant die vroeger door de inheemsen werd gebruikt. Vandaar de naam 'Indianen zeep'. Het sap in de vlezige bladeren gebruikte men om te desinfecteren, bijvoorbeeld handen na het schoonmaken van vis.
Op plantage Anna's Zorg, Commewijne, vindt men in het moerasbos een veldje van ruim 30 exemplaren van ingisopo. De lokale bevolking had geen verklaring voor het veelvuldig voorkomen daar. De lokatie is al sinds lange tijd verlaten volgens de almanakken. Opvallend was echter dat de exemplaren van de ingisopo niet achter de historische dijk op de plantages groeide, maar ervoor op een dichtgegroeid stuk van de Warappakreek (die een aantal jaren geleden na decennia lang slecht onderhoud is opengegraven). Dit impliceert dat het veld waarschijnlijk niet heel oud is, aangezien het vroeger water was.
In Nieuw-Lombé groeide de plant op verschillende plaatsen in het dorp. Men wist daar ook van het gebruik als desinfecterende zeep. Men vertelde dat hun voorouders de plant ook gebruikten. Verder droogde men de bladeren in de zon voor de vezels.
Ook in Paramaribo groeit de plant veelvuldig, voornamelijk als sierplant

Loweman bakba (Musa x paradisiaca) ‘Banaan van de slaaf gemaakte’

Volksnaam: Loweman bakba (Sr) 'wegloper banaan', Ghedang kepo(k) (Ja)
Wetenschappelijke naam: Musa x paradisiaca
Groeivorm: Kruid (schijnboom)
Herkomst: Azië (via Afrika?)

In Suriname
Erfgoed type: Slaaf gemaakte tuin
Huidig gebruik: Vrucht als voedsel
Historisch gebruik: Vrucht als voedselbron bij vlucht van de plantage
Overig: -
Openstaande vragen:
- Hoe kwam de loweman bakba wild groeiend in het bos rondom plantage Reijnsdorp, aangezien deze banaan door middel van stekken vermeerderd moet worden?
- Is deze banaan via Afrika met slaaf gemaakten meegekomen, of was de banaan eerder al naar Suriname gehaald en is de plant in gebruik geraakt door slaaf gemaakten die waarschijnlijk het telen van bananen kende?

-
Historische context in Suriname:
De gecultiveerde banaan (Musa x paradisiaca) komt van origine uit Azië, maar bereikte al heel vroeg in de menselijke geschiedenis Afrika, waar men net als in Azië verschillende variëteiten ontwikkelde. Op plantage Reijnsdorp verbouwde de Javaanse gemeenschap een variëteit van banaan met vruchten met een hoekige en dikke schil. Men noemde de plant ‘loweman bakba’.
De oudere generatie vertelde: “Onze voorouders troffen deze plant aan wild groeiend in het bos. Zij namen hem mee naar het dorp en enkele nog aanwezige ex-slaaf gemaakten op de plantage vertelden hen dat dit de ‘loweman bakba’ was met een eigen bijzondere verhaal.
De slaaf gemaakten verbouwden deze banaan op de plantages en gebruikten hem als voedsel tijdens de vlucht van de plantages naar vrijheid”. De term ‘loweman’ verwijst naar de slaaf gemaakten die van de plantage wegvluchtten en ‘bak(u)ba’ is een term die men in sommige West-Afrikaanse landen gebruikt voor bananen.
De gemeenschap op plantage Reijnsdorp zag deze banaan als een ‘wilde’ banaan, maar deze banaan produceert geen vruchtbare zaden en vermeerdert men door middel van stekken. Hoe kwam de banaan ‘wild’ groeiend in het bos? Waren het wellicht overgebleven planten van oude tijdelijke Marronkampen die de eerste contractarbeiders in het bos aantroffen? Op deze vragen is tot op heden geen antwoord. Verdere informatie over de hedendaagse verspreiding van deze banaan was in een tuin in Paramaribo-West. Hier stond ook een ‘loweman bakba’. Hoe? De eigenaresse bleek de plant te hebben ontvangen van een vriend uit het Marrondorp Dritabiki, Sipalwini. Blijkbaar is de plant met zijn verhaal niet alleen overgenomen door de Javeense gemeenschap aan de kust, maar heeft de plant ook de tocht gemaakt met de vluchtende slaaf gemaakten het binnenland in en telen de afstammelingen van de ‘lowemans’ de plant nog! Dit is een mooi voorbeeld van de dynamiek van overdracht van plantengebruik tussen verschillende groepen.

Tamalin (Tamarindus indica) ‘De boom die niet uit de Indiën kwam… of wel?’

Tamarindus indica ripe pods

Volksnaam: Tamalin (Sr), Asem (Ja)
Wetenschappelijke naam: Tamarindus indica
Groeivorm: Boom
Herkomst: Afrika

In Suriname
Erfgoed type: Overgebleven structuur
Huidig gebruik: Voedsel (zaadpulp)
Historisch gebruik: Laan boom, Voedsel (zaadpulp), Takken gebruikt als zweep om slaaf gemaakten te slaan
Overig: De boom vond al vroeg in de menselijke geschiedenis zijn weg uit Oost-Afrika naar India en de rest van Azië. Vroege Europese botanici zagen de boom daarom voor lokale plant aan en gaven hem foutief de naam ‘indica’
Openstaande vragen:
-Wat illustreert het kappen van de tamalin laan op de plantage Alliance? Hecht men in Suriname genoeg waarde aan botanisch erfgoed?
-Hoe zit het met de waarde van erfgoed in het algemeen?
-Is tamalin via Afrika naar Suriname gekomen, of zijn zaden of planten gehaald uit Azië?
-Is de tamalin boom op plantage Johanna Charlotte ook een restant van een oude laan?

-
Historische context in Suriname:
De tamarindeboom komt anders dan de wetenschappelijke naam Tamarindus indica doet vermoeden niet uit India, maar uit tropisch Afrika. De tamarindeboom bevond zich op de Surinaamse plantages vaak in een laan in de richting van het huis van de planter. Geliefd waren vooral de vruchten ‘die van een heilzaame verkoelende kracht zyn, in alle heete ziektes de mond verfrisschende en de buik zuiverende’, aldus Jan Jacob Hartsinck (1770). Slaaf gemaakten gebruikten de plant op eenzelfde manier.
Vele Surinamers wisten te vertellen dat takken van tamalin in de koloniale tijd gebruikt werden als zweep om slaaf gemaakten te slaan. Deze kennis was zowel bekend bij de Boslandcreolen, de Creoolse-, Hindoestaanse- en Javaanse Surinamers.
Op de voormalig plantage Alliance staat een deel van zo een tamarindelaan nog steeds in het dorp. Dit restant beperkt zich tot een zijde van het pad, doordat een aantal decennia terug de eeuwenoude bomen aan de andere kant moesten wijken voor een loods. Een stuk onvervangbaar erfgoed is hiermee voor altijd verloren gegaan.
Op de verlaten plantage Johanna Charlotte bevindt zich een enkele tamarindeboom. Deze boom, bijna zonder overgebleven loof, heeft het duidelijk moeilijk in de zilte omstandigheden en groeit temidden van de lage bodembedekkende vetplanten! Het is zeer uitzonderlijk dat de boom deze omstandigheden tot nog toe heeft weten te overleven. Het is zeer goed mogelijk dat in de nabije toekomst dit individu ten onder gaat en daarmee een stukje levende geschiedenis in Suriname afsterft.

Manja (Mangifera indica) ‘Plantageplant voor iedereen’

Manja op plantage Berg en Dal

Volksnaam: Manja (Sr)
Wetenschappelijke naam: Mangifera indica
Groeivorm: Boom
Herkomst: Azië

In Suriname
Erfgoed type: Contractarbeider gewas, Slaaf gemaakten tuin, Plantageplanter gewas
Huidig gebruik: Voedsel (vruchten)
Historisch gebruik: Voedsel (vruchten)
Overig:
Openstaande vragen:
-Welke manja cultivars groeien in Suriname?
-Welke manja cultivar is wanneer in Suriname gekomen?
-Wie bracht welk manja cultivar naar Suriname?
-Zijn de bomen bij plantage Berg en Dal de oudste manja bomen in Suriname?
-Is de omtrek van de stam een goede maat voor de ouderdom van manja?

-
Historische context in Suriname:
De manja komt oorspronkelijk uit Azië, waar men de boom al millennia cultiveert. Rond de 10e eeuw (CE) begon cultivatie ook in Afrika. In Suriname is manja ook al eeuwen te vinden. Beschrijvingen van de plant vindt men al in de 18e eeuw.
Men kan vele cultivars onderscheiden, waarvan een aantal in Suriname voorkomen. Het is onduidelijk welke manja cultivar wanneer, via welk continent en door wie naar Suriname zijn gebracht. Relatief recent zijn via de contractarbeiders nieuwe cultivars het land binnengekomen.
De manja is zeer populair als vrucht en men vindt de plant dan ook overal, in Paramaribo en op de voormalige plantages. Op plantage Berg en Dal staat een aantal reusachtige manja bomen met dikke stammen en een aan de buitenlucht blootgesteld omvangrijk worteldek. Op het oog zien de individuen met hun bijna vijf meter omtrek eruit alsof ze er al een paar eeuwen staan (zie foto); wellicht zijn dit zelfs wel de dikste mangobomen aangetroffen in Suriname. Deze reuzen staan tussen de originele woningen van de planter en slaaf gemaakten. Een informant beaamde de ouderdom en noemde de erosie bij het daardoor blootliggende worteldek een indicatie daarvan.
Toch zegt de hoogte van een boom niet alles. Op plantage Reijnsdorp staat ook een hoge mangoboom (met drie en een halve meter omtrek). De jongere generatie daar noemde de boom ‘eeuwenoud’. Echter, bij navraag bij de oudere generatie bleek dat de boom nog in hun jeugd was aangeplant en ‘slechts’ 80 jaar oud was. Andere informanten noemden dat manja bomen die jong zijn toch snel oud kunnen lijken door hun grootte.

Daalder (Phoenix reclinata) ‘De dadel die succesvol de oceaan overstak’

Daalder adult op plantage ReijnsdorpDaalder lokaties kuststreek in Suriname
Volksnaam: Daalder (Sr), Khedjoer (Hin)
Wetenschappelijke naam: Phoenix reclinata
Groeivorm: Palm
Herkomst: Afrika

In Suriname
Erfgoed type: Slaaf gemaakten tuin
Huidig gebruik: Geen
Historisch gebruik: Voedsel (vruchten)?
Overig: De palm vormt clusters.
Openstaande vragen:
-Hoe kwam daalder in Suriname aan, was het als proviand, als (gesmokkeld of per ongeluk?) zaad of als plant?
-Wanneer kwam daalder in Suriname aan?
-Waardoor groeit daalder niet meer veelvuldig langs de Suriname rivier?

-
Historische context in Suriname:
Bij het varen over de Commewijne rivier en sommige kreken doemen overal clusters van een verwilderd uitziende palm op. Deze dadelpalm noemt men in de Surinaamse kuststreek ‘daalder’, maar buiten Suriname kent men deze plant onder de naam Senegalese dadelpalm. De plant komt oorspronkelijk uit West-Afrika! Wat doet een Afrikaanse dadelpalm wijdverspreid in het Surinaamse kustgebied? De palm maakte waarschijnlijk in de vorm van dadels als voedsel voor slaaf gemaakten, die bekend waren met de palm, of in de vorm van een paar verstrooide pitten de oversteek naar Suriname.
Juvenielen en adulten van de palm zijn talrijk en de palm is wijdverspreid in het Surinaamse kustgebied. Een verklaring voor het succes van de palm ligt in de vergelijkbare natte en zilte omgeving waarin de palm voorkomt in Afrika.
De Zweedse botanicus Daniel Rolander, op ontdekkingstocht in Suriname van 1755-1756 en op ontdekkingstocht over de Commewijne rivier, noemt een dadelpalm in zijn dagboek. Waarschijnlijk gaat dat om Phoenix reclinata (hij was zich niet bewust van de Afrikaanse origine van de plant). Dit betekent dat deze plant al vroeg in Suriname terecht kwam. Meer dan 200 jaar na Rolander, wordt de palm genoemd in het door Ostendorf aangepaste standaardwerk van Stahel Nuttige planten en Siergewassen van Suriname , dit keer met aantekening van de Afrikaanse origine. Hierin staat beschreven dat de palm veelvuldig voorkomt langs de Suriname rivier. Momenteel, weer 50 jaar later, blijkt de palm nog steeds veel aanwezig, hoewel niet aan de Suriname rivier. Wellicht dat de afnemende brakke condities verder landinwaarts dit verklaren.
In Suriname kent men nauwelijks gebruiken van deze palm. Kinderen eten soms de vruchten (1-2cm). Op plantage Reijnsdorp vertelde men dat de vruchten een nacht in water laten liggen het rijpingsproces kan versnellen. Gezien de vele gebruiken van de palm in Afrika, blijkt veel kennis over deze soort verloren in Suriname.
Lokale bewoners wisten zelden over de Afrikaanse origine van de palm en de connectie met de slavernijgeschiedenis. De Marron in Nieuw Lombé kennen de plant niet en ter hoogte van Nieuw Lombé en plantage Berg en Dal lijkt de palm niet voor te komen.